Gerechtshof Amsterdam, 21-05-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1561, 200.016.281-02
Gerechtshof Amsterdam, 21-05-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1561, 200.016.281-02
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 mei 2013
- Datum publicatie
- 12 november 2013
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2013:1561
- Zaaknummer
- 200.016.281-02
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 23, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 24, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 39
Inhoudsindicatie
Koop van woonhuis met bedrijfsgebouwen. Verkoper stelt zicht garant voor de kosten van wegnemen van bepaalde soort bodemverontreiniging onder een eindtermijn. Geen grond voor uitleg dat deze garantie ook na afloop van de termijn zou doorlopen.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.016.281/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 381855/HA ZA 07-2837
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 mei 2013
inzake
1 [appellant sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [appellant sub 2],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
tevens voorwaardelijk incidenteel appellante,
advocaat: mr. C.B.M. Scholten van Aschat te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellanten] zijn is bij dagvaarding van 9 september 2008 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2008 en 9 januari 2008, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en Vree c.s als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, houdende eiswijziging;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel;
- akte.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en hun in hoger beroep vermeerderde vorderingen zal toewijzen, met terugbetaling van hetgeen zij aan [geïntimeerde] hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen vonnis van 11 juni 2008 onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
Bij koopovereenkomst van 25 mei 1992 heeft [X] aan [Y] en [Z] (hierna: [YZ]) verkocht een woonhuis met bedrijfsgebouwen, gelegen op een perceel aan [adres] te [woonplaats]. De onroerende zaak is op 24 juli 1992 geleverd aan [YZ]
Op het perceel was voorheen een pompeiland gevestigd, waarop zich een tweetal benzinepompen bevond. In het begin van de twintigste eeuw was in de bedrijfsgebouwen een wasserij gevestigd.
Partijen zijn op 24 juli 1992 het volgende overeengekomen:
"a) verkoper stelt zich garant tegenover koper voor een bedrag van f. 300.000,00 door het stellen van een bankgarantie tot gemeld bedrag of door deponering van gemeld bedrag bij de NMB Bank te Amsterdam, kantoor Hoofddorpweg, zulks voor het treffen van eventueel door de overheid verplicht gestelde milieu maatregelen voortvloeiende uit een eventuele verontreiniging van de grond voor zover niet ontstaan door verontreiniging door de aanwezige benzinetanks.
b) tot zekerheid voor zijn verplichtingen eventueel voortvloeiende uit het in deze overeenkomst gestelde, zal verkoper een bedrag van f 300.000,00 storten op een depotrekening bij de NMB Bank te Amsterdam, kantoor Hoofddorpweg, of zal verkoper een bankgarantie stellen ten behoeve van koper tot gemeld bedrag;
c) Verkoper zal binnen één jaar na heden door Ingenieursbureau Oranjewoud een bodemrapport laten uitbrengen over de al of niet vervuiling van de grond en om meer inzicht te krijgen of er - en zo ja welke milieu-maatregelen op grond van overheidsrichtlijnen genomen dienen te worden en welke kosten daaruit
voortvloeien.
d) De verkoper is hoofdelijk aansprakelijk voor alle kosten van de vervuiling.
(...)
f) deze vrijwaring en garantiestelling casu quo depotstelling eindigt:
1. 1. op uiterlijk één augustus 1997 of zoveel eerder de bovengemelde NMB Bank de garantie casu quo depot vrijgeeft, tenzij op één augustus 1997 een verplichting door de overheid is opgelegd aan koper tot het treffen van milieu maatregelen veroorzaakt alsvoren, welke verplichting nog niet geheel of niet volledig is geëffectueerd.
2. 2. zodra er een schone grond verklaring is afgegeven."
[X] heeft overeenkomstig hetgeen op 24 juli 1992 overeengekomen was f 300.000,-- in depot gesteld.
[X] is op 1 oktober 1994 overleden. Hij was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [geïntimeerde]. In zijn testament had [X] [geïntimeerde] als mede-erfgenaam benoemd, tezamen met zijn vier kinderen uit een eerder huwelijk. Tevens was aan [geïntimeerde] het vruchtgebruik van de nalatenschap toegekend.
Na het overlijden van [X] heeft [geïntimeerde] opdracht gegeven aan Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. tot het verrichten van een verkennend bodemonderzoek op het perceel aan [adres] te [woonplaats]. In het hiervan in december 1994 opgemaakte rapport is door Oranjewoud geconcludeerd dat de bodem ter plaatse (grond en grondwater) matig tot sterk verontreinigd is en dat sanerende maatregelen moeten worden genomen. Aanbevolen wordt om een nader onderzoek te doen uitvoeren, teneinde de mate en omvang van de geconstateerde verontreiniging nader in kaart te brengen.
Bij brief van 11 maart 1997, verzonden 14 maart 1997, heeft het hoofd van het bureau Bodemsanering van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aan mr. Leefers, raadsman van [YZ], onder meer het volgende bericht:
"Naar aanleiding van uw brief van 14 februari 1997 (...) berichten wij u als volgt.
Eind 1994 heeft er een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden aan [adres] (...) Uit dit onderzoek is gebleken dat de grond verontreinigd is met minerale olie tot boven de interventiewaarden en naftaleen, trichlooretheen en tetrachlooretheen tot boven de streefwaarden. Dit betekent dat er reden is een nader bodemonderzoek uit te voeren om de omvang van het geval/de gevallen van verontreiniging en de urgentie van sanering te bepalen alsmede het tijdstip waarop sanering dient plaats te vinden.
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt niet duidelijk wat de oorzaak is van de verontreiniging. (...)
Op grond van de Wet Bodembescherming kunnen wij veroorzakers van verontreiniging verplichten bodemonderzoek en zo nodig bodemsanering uit te voeren. In het onderhavige geval is vooralsnog onduidelijk wie veroorzaker is van de aangetroffen verontreiniging. De wet bodembescherming kent ook de mogelijkheid om degene die met wetenschap van verontreiniging een terrein verkregen heeft te verplichten bodemonderzoek en bodemsanering uit te voeren. (...)
Uw cliënten de heer en mevrouw [YZ] hebben het terrein aan [adres] in 1992 verkregen. Uit de door u aan ons opgestuurde overeenkomst van 24 juli 1992 blijkt dat uw cliënten ten tijde van de aankoop op de hoogte waren van de bodemverontreiniging. Wij verzoeken uw cliënten dan ook een nader bodemonderzoek te laten uitvoeren. Indien uit dit bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, bestaat er een saneringsnoodzaak. Afhankelijk van de actuele risico's voor de mens, het ecosysteem en verspreiding van de verontreiniging, wordt de urgentie vastgesteld en het tijdstip waarop met de sanering dient te worden begonnen. Wij verzoeken uw cliënten de resultaten van het nader bodemonderzoek aan ons over te leggen met het verzoek een beschikking inzake de ernst en de urgentie van de verontreiniging te nemen. Indien sanering urgent is, verzoeken wij uw cliënten tevens om tot sanering over te gaan. Hiertoe dient een saneringsplan te worden opgesteld, dat onze goedkeuring behoeft. (...)"
[YZ] hebben de kinderen van [X] op 19 augustus 1997 gedagvaard bij de rechtbank Amsterdam en onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat het depot gehandhaafd diende te blijven tot er een schone grondverklaring zou zijn afgegeven en dat van het depot de declaratie van de raadsman van [YZ] voldaan diende te worden. De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 22 april 1998 bij verstek toegewezen.
Bij brief van 4 december 1997, verzonden 10 december 1997, heeft het hoofd van het bureau Bodemsanering van de provincie Noord-Holland het volgende bericht aan mr. Leefers:
"Naar aanleiding van uw bovengenoemde brief (...) berichten wij u als volgt.
(...)
Uit uw brief begrijpen wij dat het gevraagde bodemonderzoek inmiddels is uitgevoerd en wij verwachten dan ook dat u het rapport aan ons over zult leggen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, bestaat er een saneringsnoodzaak. Afhankelijk van de actuele risico's voor de mens, het ecosysteem en verspreiding van de verontreiniging, wordt de urgentie vastgesteld en het tijdstip waarop met de sanering dient te worden begonnen. Naarmate de sanering urgenter is, hechten wij een groter belang aan uitvoering van de sanering op korte termijn.
Wij verzoeken u uiterlijk binnen een termijn van twee maanden na verzending van de brief de resultaten van het nader bodemonderzoek aan ons over te leggen.
(...)"
Op 6 juli 1998 is, buiten weten van [geïntimeerde], een bedrag van f 26.164,26 van het depot afgeschreven en op 9 december 2008 een bedrag van f 14.100,--.
In de loop van 1998 heeft [YZ] de onroerende zaak verkocht en geleverd aan [appellanten] [YZ] heeft bij akte van cessie van 22 oktober 1998 zijn vordering op de erven van [X] 'ten aanzien van alle gemaakte en nog te maken kosten van de vervuiling' van de onroerende zaak overgedragen aan [appellanten]
In 2004 is een actualiserend bodemonderzoek uitgebracht door Terrascan BV. Hierna is een aanvang genomen met de sanering van het perceel.
Op 20 oktober 2005 is, buiten weten van [geïntimeerde], ten behoeve van Aannemingsbedrijf [B] uit [woonplaats] een bedrag van € 47.762,14 afgeschreven van het depot.