Home

Gerechtshof Amsterdam, 22-12-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5421, 200.158.398/01

Gerechtshof Amsterdam, 22-12-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5421, 200.158.398/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22 december 2015
Datum publicatie
30 mei 2016
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:5421
Formele relaties
Zaaknummer
200.158.398/01

Inhoudsindicatie

Kort geding. Rekeningen bij KB Luxbank te Luxemburg. Informatieplicht op grond van art. 47 AWR. Verhoging dwangsom.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.158.398/01 KG

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/208915 / KG ZA 13-600

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015

inzake

1 [Appellant 1]

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van G.J. [Appellante 3] alsmede in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [x] ,

wonende te [plaats] ,

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van G.J. [Appellante 3] alsmede in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [x] ,

wonende te [plaats] ,

3. [Appellante 3],

wonende te [plaats] ,

appellanten in het principaal appel,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te `s-Gravenhage.

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal appel,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna aangeduid als [appellanten] (dan wel [Appellant 1] , [Appellant 2] en [Appellante 3] ) en de Staat.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 11 februari 2014 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2014, gewezen tussen de Staat als eiser en [appellanten] als gedaagden.

Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het gerechtshof Den Haag de zaak verwezen naar dit hof.

Vervolgens hebben [appellanten] de Staat bij exploot van 3 september 2014 opgeroepen voort te procederen bij dit hof.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Ter voorbereiding op het pleidooi hebben beide partijen nog nadere stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 mei 2015 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Bharatsingh voornoemd en de Staat door mr. J.M.L. van Duin en mr. R. Wieringa. De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.

Hierna is de zaak enige tijd aangehouden met het oog op het treffen van een minnelijke regeling tussen partijen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben in het principaal appel geconcludeerd - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de Staat niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel die vorderingen zal afwijzen, in beide gevallen met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedures, uitvoerbaar bij voorraad.

De Staat heeft in het principaal appel geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

In het incidenteel appel heeft de Staat geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de gehele vordering van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, en afwijzing van de gehele vordering van [appellanten] , beide met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure, daaronder begrepen nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

In het incidenteel appel hebben [appellanten] geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het deze zaak gewezen vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Waar nodig aangevuld met andere, tussen partijen vaststaande feiten en voor zover in hoger beroep nog van belang, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

In 2000 heeft de Belastingdienst via de Belgische autoriteiten de beschikking gekregen over een grote hoeveelheid gegevens over Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: de KB Luxbank) te Luxemburg. De gegevens betreffen fotokopieën van afgedrukte microfiches uit de interne administratie van de KB Luxbank. Op de betreffende microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen bij de KB-Luxbank per 31 januari 1994.

2.2

De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar de op de kopieën van de microfiches vermelde personen en de vermelde saldi. Dit onderzoek staat bekend als het Rekeningenproject.

2.3

Op de onder 2.1 bedoelde kopieën van microfiches is tweemaal als rekeninghouder vermeld ' [x] ', eenmaal met een saldo van minus f 4,08 en eenmaal met een saldo van f 182.420,82.

2.4

Aan de hand van de kopieën van de microfiches heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Van deze identificaties zijn processen-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject opgemaakt. Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [x] (hierna: [x] ) is gedateerd 23 september 2002.

2.5

Het met betrekking tot [x] opgemaakte proces-verbaal bevat een algemene uiteenzetting van de wijze waarop het identificatieonderzoek is verricht en vermeldt als resultaat van het onderzoek ten aanzien van [x] het volgende:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[x].

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [x] , gehuwd met [Appellante 3] .

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij Walter de partner is van [Appellante 3] . Dit is [x] , geboren op (...), met sofinummer (...), gehuwd met [Appellante 3] , geboren op (...) met sofinummer (...).

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [x] is: [naam] .

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [datum].

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [x] / [Appellante 3] als rekeninghouder(s) in aanmerking, zoals hiervoor vermeld onder punt 3."

2.7

Vanaf 2002 heeft de Belastingdienst [x] en diens echtgenote en fiscale partner [Appellante 3] aangeschreven met vragen over de door hem en/of haar bij KB Luxbank aangehouden rekening(en).

2.8

[x] heeft het bestaan c.q. aanhouden van een rekening bij KB Luxbank door hem en/of [Appellante 3] steeds ontkend.

2.9

De Belastingdienst heeft aan [x] navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting (VB) voor de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd. [x] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.10

Op verzoek van [x] heeft de inspecteur [x] bericht dat een beslissing op de bezwaarschriften wordt aangehouden totdat beslissingen zijn genomen in proefprocedures. Tot op heden is niet beslist op de bezwaarschriften.

2.11

[x] is op 26 mei 2012 overleden. [Appellant 1] , [Appellant 2] zijn de zonen van [x] en, tezamen met [Appellante 3] , zijn erfgenamen.

2.12

Bij beschikking van 4 september 2012 van de rechtbank Alkmaar zijn de goederen van [Appellante 3] onder bewind gesteld met benoeming van [Appellant 1] en [Appellant 2] tot bewindvoerders.

2.13

Bij brief van 9 april 2013 heeft [Appellant 1] . namens [Appellante 3] inlichtingen opgevraagd bij de KB Luxbank over de door [x] en/of [Appellante 3] aangehouden bankrekening(en) 'voor iedere rekening afzonderlijk en over de periode van 31 december 1989 tot heden'.

2.14

In reactie op voornoemde brief heeft de KB Luxbank bij brief van 23 mei 2013 onder meer het volgende geschreven:

"Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen.

(...)"

2.15

Bij brief van 19 augustus 2013 aan de advocaat van de bewindvoerders heeft (de advocaat van) de Belastingdienst [appellanten] een laatste mogelijkheid geboden om de gevraagde informatie uiterlijk 2 september 2013 aan de Belastingdienst te verstrekken. [appellanten] hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

3 Beoordeling

4 Beslissing