Gerechtshof Amsterdam, 22-12-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5426, 200.159.386/01
Gerechtshof Amsterdam, 22-12-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5426, 200.159.386/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 december 2015
- Datum publicatie
- 21 juni 2016
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2015:5426
- Zaaknummer
- 200.159.386/01
Inhoudsindicatie
Huurovereenkomst bedrijfsruimte idzv 7:290 BW. Twee natuurlijke personen hebben de ruimte gehuurd. Faillissement van één van de huurders. Opzegging van de huurovereenkomst door verhuurder op grond van artikel 39 Fw jegens beide huurders. Wegens ondeelbaarheid van de huurovereenkomst is verhuurder daartoe in beginsel bevoegd. De niet failliete huurder komt, op grond van de onsplitsbaarheid van het huurrecht, geen te honoreren beroep op huurbescherming toe. Wel dient te worden onderzocht of de opzegging jegens de niet failliete huurder misbruik van bevoegdheid oplevert.
Uitspraak
arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.159.386/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2617022 CV EXPL 13-31765
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015
inzake
1 [appellante sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,
beiden wonend te [woonplaats] ,
appellanten,
tevens incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,
tegen:
[geïntimeerde] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. R. Teitler te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna enerzijds [appellante sub 1] en [appellante sub 2] en anderzijds [geïntimeerde] genoemd.
[appellante sub 1] en [appellante sub 2] zijn bij dagvaarding van 10 november 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 10 oktober 2014, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen onder andere [appellante sub 1] en [appellante sub 2] als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.
De appeldagvaarding bevat de grieven. Ter rolle hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding en daarbij een productie in het geding gebracht.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 oktober 2015 doen bepleiten, beiden door hun voornoemde advocaat; mr. Thiescheffer aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De zaak is vervolgens aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog in conventie voor recht zal verklaren dat: (i) de vennootschap onder firma [X] , met KvK nummer [nummer 1] , kan worden aangemerkt als huurder van het gehuurde en dat deze vennootschap onder firma daarmee is toegetreden tot de huurovereenkomst van 20 juli 2010, (ii) de huuropzegging van 13 september 2013 rechtens geen effect heeft en de huurovereenkomst derhalve niet per 31 december 2013, althans per 1 januari 2014 zal eindigen en voorts dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – de vordering in reconventie alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. In incidenteel hoger beroep heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis deels zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de jaarlijkse indexering vanaf 1 februari 2014 tot aan de dag van ontruiming van het voormalig gehuurde, met rente, met beslissing over de proceskosten.
[appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.12 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen deze feiten neer op het volgende.
[appellante sub 1] is de dochter van [appellante sub 2] en [Y] (hierna ook: [Y] ).
[appellante sub 2] en [Y] zijn gescheiden.
[geïntimeerde] heeft de bedrijfsruimte, bestemd om te worden gebruikt als restaurant en gelegen op de beletage van het pand aan de [adres] (hierna: het gehuurde), verhuurd aan [appellante sub 1] en [Y] .
De op 20 juli 2010 door partijen ondertekende schriftelijke huurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar en 0 maanden, ingaande op 1 juli 2010 en lopende tot en met 30 juni 2015. Waarbij tussentijdse opzegging niet mogelijk is.
Na het verstrijken van de 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst, na eventuele herziening van de huursom, mogelijk voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 30 juni 2020. Deze overeenkomst wordt vervolgens mogelijk voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.
Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste 6 maanden. (...)
De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt voor de eerste maand (juli 2010) € 4.000,= per maand. (...)
Onverminderd de mogelijkheden die de wet biedt om een huuraanpassing te realiseren, wordt de huurprijs jaarlijks per 1 augustus, voor het eerst met ingang van 1 augustus 2011, aangepast overeenkomstig artikel 9.1 algemene bepalingen en met inachtneming van het 9.2 tot en met 9.6 algemene bepalingen. (...)
De op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ (versie juli 2003; hierna de algemene bepalingen), luiden voor zover hier van belang als volgt:
Huurder zal het gehuurde – gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming. (...)
Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, dan wel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon. (...)
Een in 4.5 van de huurovereenkomst overeengekomen wijziging van de huurprijs vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2000=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS). (...)
Indien verscheidene (natuurlijke of rechts-)personen zich als huurder hebben verbonden, zijn deze steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomsten voortvloeiende verbintenissen. (...)
Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst was in het gehuurde een restaurant gevestigd van [Z] , een zakenpartner van [geïntimeerde] . [Y] heeft de goodwill en de inventaris van het restaurant gekocht.
[appellante sub 1] en [Y] hebben op 20 juli 2010 – de datum van ondertekening van de huurovereenkomst – de vennootschap onder firma [X] (KvK-nummer [nummer 2] ; hierna: vof-1) opgericht. De exploitatie van het restaurant is in deze vof ondergebracht.
[Y] is op 22 juli 2010 uitgetreden uit vof-1. [appellante sub 2] is toen toegetreden.
De onderneming werd met ingang van 9 mei 2011 voortgezet door de eenmanszaak [X] (KvK-nummer [nummer 3] ) van [appellante sub 2] .
Vanaf 1 oktober 2011 is de onderneming gedreven door de, op die datum opgerichte vennootschap onder firma [X] (KvK-nummer [nummer 1] ; hierna: vof-2), met als vennoten [appellante sub 1] en [appellante sub 2] .
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft [Y] bij vonnis van 18 mei 2011 op vordering van [Z] veroordeeld het restant van de voor goodwill en inventaris van het restaurant verschuldigde koopsom ter grootte van € 31.000,=, vermeerderd met rente en kosten, aan [Z] te betalen.
Bij vonnis van 15 december 2011 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam de vordering van [geïntimeerde] , ingesteld tegen [Y] , [appellante sub 1] en [appellante sub 2] en strekkende tot ontruiming van het gehuurde, afgewezen. De vordering was gegrond op de stellingen dat [appellante sub 1] en [Y] a) het gehuurde niet meer zelf gebruikten, b) [geïntimeerde] hadden beledigd en daarom handelden als slecht huurder, c) [geïntimeerde] ’s zakenpartner [Z] hadden benadeeld en d) de huur te laat betaalden, en dat [appellante sub 2] het gehuurde zonder recht of titel gebruikte.
[Y] is, mede op vordering van [Z] , op 13 augustus 2013 failliet verklaard, met aanstelling van mr. M. Rooimans als curator (hierna: mr. Rooimans).
[appellante sub 1] heeft [geïntimeerde] op 22 augustus 2013 verzocht vof-2 als huurder van de bedrijfsruimte aan te merken. [geïntimeerde] heeft het verzoek afgewezen.
Bij brief van 13 september 2013 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] de huur opgezegd tegen 31 december 2013 op grond van het bepaalde in artikel 39 van de Faillissementswet. Mr. Rooimans, [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet ingestemd met de opzegging.