Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85, 200.142.319-01

Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85, 200.142.319-01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 januari 2015
Datum publicatie
4 februari 2015
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:85
Zaaknummer
200.142.319-01

Inhoudsindicatie

Schending waarheidsplicht. Partij heeft ter onderbouwing van een vordering tot schadevergoeding bewust door hemzelf vervalste bewijsstukken in het geding gebracht. Dit brengt niet alleen mee dat het hof de bewuste stukken buiten beschouwing laat. Vanwege de substantiële, systematische en bewuste schending van de waarheidsplicht laat het hof partij ook niet toe tot nadere bewijslevering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.142.319/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 423174 CV Expl 12-6362

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2015

inzake

[appellant],

wonende te[woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. R.A.A. Kool te Alkmaar,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. K. Kroon te Amsterdam.

1 Het procesverloop

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd, tenzij anders aangegeven.

[appellant] is bij dagvaarding van 31 januari 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, sector kanton (hierna: de kantonrechter) van 18 december 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, tevens eisers in voorwaardelijk reconventie. [geïntimeerden] hebben op hun beurt bij dagvaarding van 17 februari 2014 de zaak bij vervroeging opgebracht tegen de zitting van 25 februari 2014.

Hierna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- een memorie van grieven van [appellant], met producties;

- een memorie van antwoord van [geïntimeerden], met productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 oktober 2014 doen bepleiten, [appellant] door mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, en [geïntimeerden] door mr. Kroon voornoemd en haar kantoorgenoot mr. K. Aupers, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [geïntimeerden] zal veroordelen - uitvoerbaar bij voorraad - om aan hem te betalen een bedrag van € 146.248,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 september 2010, alsmede een bedrag van € 2.000,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente daarover vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van Meijer c.s. in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van beslaglegging.

[geïntimeerden] hebben primair geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden arrest, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Subsidiair, voor het geval zij tot betaling van enig bedrag aan [appellant] zouden worden veroordeeld, hebben zij gevorderd een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] gerechtigd zijn betaling van dat bedrag op te schorten totdat eindvonnis is gewezen, en dat vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, in een verwante procedure die tussen hen en [appellant] aanhangig is, eveneens met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

2 2. Feiten

De kantonrechter heeft in het deze zaak gewezen vonnis van 18 december 2013 onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep op zich zelf niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Kort samengevat en aangevuld met hetgeen overigens nog is komen vast te staan tussen partijen, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1

[geïntimeerden] zijn eigenaar van een jachtwerf te [gemeente]. [appellant] had deze jachtwerf vanaf oktober 2008 in gebruik.

2.2

Tussen partijen is een conflict ontstaan. Daarbij heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat tussen partijen van een huurovereenkomst overeengekomen was; [geïntimeerden] hebben dat ontkend.

2.3

Het conflict tussen partijen is uitgemond in een gerechtelijke procedure. Bij vonnis van 10 februari 2010 heeft de kantonrechter te Alkmaar op vordering van [geïntimeerden] voor recht verklaard dat tussen partijen géén huurovereenkomst tot stand is gekomen. Voorts heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen dertig dagen na betekening van het vonnis alsmede tot betaling van achterstallige gebruikersvergoeding.

2.4

[geïntimeerden] hebben het vonnis van 10 februari 2010 direct laten betekenen en [appellant] is tot ontruiming van de jachtwerf overgegaan.

2.5

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het ontruimingsvonnis. Bij eindarrest van 2 juli 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam, na het horen van getuigen, geoordeeld dat wel sprake was van een huurovereenkomst, en wel voor de duur van vijf jaren vanaf 3 oktober 2008. Het vonnis van 10 februari 2010 is vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerden] zijn alsnog afgewezen.

2.6

[appellant] heeft conservatoir beslag gelegd onder [geïntimeerden] ter verzekering van een gestelde schadeclaim op [geïntimeerden]

2.7

Op 27 november 2013 heeft [geïntimeerde sub 2] tegen [appellant] aangifte gedaan bij de politie Noord-Holland Noord wegens valsheid in geschrifte.

3 Beoordeling

4 Beslissing