Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-09-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3739, 200.173.424/01

Gerechtshof Amsterdam, 13-09-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3739, 200.173.424/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 september 2016
Datum publicatie
30 september 2016
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2016:3739
Formele relaties
Zaaknummer
200.173.424/01

Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Verzoek om inzage in de correspondentie met door wederpartij geraadpleegde deskundige afgewezen (843a Rv, Wet Bescherming persoonsgegevens). Niet juist dat de verslaglegging in het medisch dossier bepalend is voor de vraag of aan de eis van de verzwaarde stelplicht is voldaan Beroep op res ipsa loquitur afgewezen. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:3188.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.173.424/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 176166 / HA ZA 10-1686

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 september 2016

inzake

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. Stichting Waterlandziekenhuis,

gevestigd te Purmerend,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. O.L. Nunes te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

zowel optredende voor zichzelf als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [X],

beiden wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. J.M. Beer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] , Waterlandziekenhuis en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] en Waterlandziekenhuis worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 12 maart 2015 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2012 en 24 december 2014 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellanten] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- incidentele vordering ex art. 843a Rv, tevens akte houdende overlegging producties van de zijde van [geïntimeerde] ;

- incident antwoordconclusie inzake een incidentele vordering ex artikel 843a Rv van de zijde van [appellanten] .

Partijen hebben de zaak ter zitting van 31 mei 2016 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Nunes voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Beer voornoemd en mr. A.J.J.G. Schijns, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellanten] hebben ter gelegenheid van de pleidooien nog een productie in het geding gebracht en ter zitting een filmpje getoond. [geïntimeerde] heeft ter zitting een aantal foto’s van [X] overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben in de hoofdzaak geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 24 december 2014 zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van [appellanten] en in incidenteel appel tot vernietiging van het vonnis van 24 december 2014 voor zover betrekking hebbend op rechtsoverwegingen 2.7, 2.8. 2.12 (deels), 2.17 tot en met 2.22, met alsnog integrale toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] .

[appellanten] hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

[geïntimeerde] heeft in het incident gevorderd dat het hof, alvorens uitspraak te doen in de hoofdzaak, [appellanten] ieder afzonderlijk en gezamenlijk op grond van artikel 843a Rv - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen om binnen vijf dagen na dit arrest door middel van het verstrekken van kopieën inzage te geven in:

- de bescheiden waarin de door [appellanten] geraadpleegde radioloog dr.

M.H. Lequin zijn bevindingen, conclusies en antwoorden heeft neergelegd met

betrekking tot de door hem in deze zaak bestudeerde gegevens en voorgelegde

vragen;

- de correspondentie van [appellanten] aan dr. Lequin , waarin hij is benaderd

met het verzoek om zijn opinie te geven in deze zaak, alsmede de

correspondentie of de bescheiden waaruit de precieze vraagstelling blijkt die aan

dr. Lequin is voorgelegd, alsmede de bescheiden waaruit blijkt welke

documenten aan dr. Lequin ter beschikking zijn gesteld teneinde zich een

oordeel te kunnen vormen over de aan hem voorgelegde kwestie,

zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per dag, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident.

[appellanten] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in het incident, dan wel tot afwijzing van haar vordering, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 27 juni 2012 (hierna: tussenvonnis) onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Op 29 september 2005 is [geïntimeerde] door middel van een keizersnede bevallen van een zoon, [X] . De keizersnede is uitgevoerd door [appellant] , als gynaecoloog verbonden aan het Waterlandziekenhuis.

2.2

Van de keizersnede is een operatieverslag gemaakt door [appellant] . Dat luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Operatie-indicatie: 3e sectio foetale nood niet in partu.

(...) Het kind presenteert zich in een hoofdligging. Caput hoog het wordt op de gebruikelijke manier ontwikkeld.mbv forceps.

Het is een jongen in zeer matige conditie geboren en overgedragen aan de zorg van de kinderarts. (...)”

2.3

Onmiddellijk na de geboorte is [X] door [appellant] overgedragen aan C.G. Massar , kinderarts, die hem heeft onderzocht en geïntubeerd. [X] is vervolgens beademd overgebracht naar het VUMC.

2.4

[X] is aansluitend van 29 september 2005 tot 2 januari 2006 opgenomen geweest op de afdeling neonatologie van het VUMC. Daar wees een MRI op 31 oktober 2005 uit dat bij [X] sprake was van een (hoge) dwarslaesie op niveau C3/C4.

2.5

Van 2 januari 2006 tot 12 maart 2007 verbleef [X] op de afdeling kinderintensivecare van het VUMC en van 12 maart 2007 tot 13 juni 2007 in revalidatiecentrum [Y] in [plaats] . Sinds 13 juni 2007 is hij thuis. Hij heeft veel zorg nodig.

3 Beoordeling

4 Beslissing