Gerechtshof Amsterdam, 26-09-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3903, 200.199.082/01
Gerechtshof Amsterdam, 26-09-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3903, 200.199.082/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 september 2017
- Datum publicatie
- 3 oktober 2017
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3903
- Zaaknummer
- 200.199.082/01
Inhoudsindicatie
burenrecht; erfdienstbaarheid van weg; na comparitie ter plaatse staat voor hof genoegzaam vast dat de situatie ten tijde van tot stand komen akte zich niet langer voordoet; geen redelijk (en evenmin mogelijk terugkerend) belang meer voor eigenaar heersend erf bij uitoefening erfdienstbaarheid (5:79 BW); opheffing erfdienstbaarheid. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:2275.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.199.082/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/232420/ HA ZA 15-648
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 september 2017
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
appellante,
advocaat: mr. V.E. de Haas te Schagen,
tegen
1 de vennootschap onder firma [X] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2],
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
3. [geïntimeerde sub 3],
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
4. de vennootschap onder firma FA. [Y],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
5. [geïntimeerde sub 5],
wonende te [gemeente 1] ,
6. [geïntimeerde sub 6],
wonende te [woonplaats 4] , gemeente [gemeente 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J.M.R. Vlaar te Budel.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Appellante zal hierna wederom worden aangeduid als [appellante] , geïntimeerden sub 1 tot en met 3 gezamenlijk als [X] (enkelvoud), geïntimeerden sub 4 tot en met 6 gezamenlijk als [Y] (enkelvoud) en alle geïntimeerden gezamenlijk als [geïntimeerden]
In deze zaak is door het hof op 13 juni 2017 een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.
Vooruitlopend op het tussenarrest heeft het hof bij brief van 3 mei 2017 [geïntimeerden] verzocht de aktes van 30 oktober 1888 en 15 februari 1921 (waarnaar in het bestreden vonnis wordt verwezen), over te leggen, voorzien van een toelichting, waarna [appellante] in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte in hoger beroep in conventie en in reconventie aan de zijde van [geïntimeerden] ;
- antwoordakte aan de zijde van [appellante] .
In het tussenarrest heeft het hof een comparitie ter plaatse gelast om de bij de erfdienstbaarheid betrokken percelen te bezichtigen en om te bezien of (mogelijk naar aanleiding van de bevindingen) de zaak alsnog in der minne kan worden geregeld.
De comparitie heeft op 17 juli 2017 plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Tussen partijen is geen schikking bereikt.
Ten slotte hebben partijen andermaal arrest gevraagd.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 27 juli 2016 onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Volgens grief 1 van [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte niet overwogen dat het perceel met het kadastrale nummer [perceelnummer 1] aan [X] in eigendom toebehoort. Hoewel de rechtbank dit niet bij de feitenvaststelling heeft vermeld, valt uit het bestreden vonnis wel op te maken dat voornoemd perceel aan [X] in eigendom toebehoort. Het hof zal hiermee in het navolgende rekening houden.
Met grief 2 komt [appellante] op tegen de feitelijke vaststelling in rov 2.2 dat (uitsluitend) de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] van [X] grenzen aan de [naam weg] en niet ook de percelen [perceelnummer 4] , [perceelnummer 5] en [perceelnummer 1] . Volgens [appellante] vormen de percelen met genoemde kadastrale nummers feitelijk één groot perceel en grenst dit geheel aan [X] in eigendom toebehorende grond direct aan de [naam weg] . Deze grief zal hierna aan de orde komen.
De grieven 3a tot en met 3c zien op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de toegang/uitweg van de percelen van [X] tot de [naam weg] . Deze grieven zullen eveneens hierna aan de orde komen.
Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof deze ook als uitgangspunt zal nemen, waar nodig aangevuld met andere feiten die als gesteld en niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan.