Home

Gerechtshof Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1619, 23-001841-17

Gerechtshof Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1619, 23-001841-17

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17 mei 2018
Datum publicatie
16 juli 2018
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2018:1619
Formele relaties
Zaaknummer
23-001841-17

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van doodslag en voor medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001841-17

datum uitspraak: 17 mei 2018

TEGENSPRAAK (raadslieden gemachtigd)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-693003-12 (zaak A) en 13-706120-17 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres 1]zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 april 2018 en 7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadslieden naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, nu diens appelschriftuur te laat is ingediend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie op 24 mei 2017 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis. Een voorlopige, zeer summiere appelschriftuur, waarin een nadere toelichting wordt aangekondigd, is eerst op 26 juni 2017, twee en een halve week later dan de daarvoor in de wet gestelde termijn, ingediend. Een nadere appelschriftuur is gedateerd 13 maart 2018 en door het hof per e-mail ontvangen op 15 maart 2018, drie weken voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft verklaard dat de reden voor de te late indiening was gelegen in intensief overleg over deze zaak tussen de officier van justitie en de politie dat na de uitspraak in eerste aanleg is gevoerd. De advocaat-generaal heeft, verwijzend naar het belang van behandeling van het appèl in deze ernstige zaak, geconcludeerd dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ontvankelijk is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur door het openbaar ministerie luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv):

De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Artikel 410, tweede lid, Sv:

De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.

Artikel 416, eerste lid, Sv:

Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.

Artikel 416, derde lid, Sv.:

Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt:

p. 11-12:

Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).

(...)

p. 12:Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.

p. 51:

Het derde lid (van artikel 416 Sv) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.

In zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK0910) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het bepaalde in artikel 416 lid 3 Sv mede van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend. De rechter dient dan een belangenafweging te maken, waarbij moet worden bezien of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie tijdig een appelschriftuur in te dienen.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat dit het geval is, ondanks dat de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof geen toereikende opgave van redenen voor de te late indiening heeft gedaan. Overleg van de officier van justitie met de politie ná de uitspraak in eerste aanleg kan immers bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. Bovendien is de aanvullende appelschriftuur in een nauwelijks aanvaardbaar laat stadium ingediend. Deze gang van zaken valt ten zeerste te betreuren, nu het in deze zaak gaat om de verdenking van een levensdelict en de belangen, in het bijzonder die van de nabestaanden, buitengewoon groot zijn. Het is daarom dat het hof van oordeel is dat het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen, en van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in het bijzonder, in casu boven het belang van sanctionering van het verzuim dient te worden gesteld.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep.

Tenlasteleggingen

Zaak A hij op een tijdstip in de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of te Mijdrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en /of puntig voorwerp, een of meermalen in de romp gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Zaak B hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam en/of Diemen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- het lijk van voornoemde [slachtoffer] in één of meer stukken gedeeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in plastic en/of een sprei en/of een (hoes)laken en/of een dekbedovertrek en/of een handdoek gewikkeld en/of

- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in een koffer en/of (plastic) tas(sen) en/of vuilniszak(ken) gestopt en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) verplaatst en/of in (de achterbak van) een motorvoertuig gelegd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) naar Amsterdam en/of Diemen vervoerd en/of

- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) in het water gelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Standpunten openbaar ministerie en verdediging

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B

Voorwaardelijke (getuigen)verzoeken verdediging

Bewezenverklaring

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Strafbaarheid van verdachte

Oplegging van straffen

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Toepasselijke wettelijke voorschriften

BESLISSING