Home

Gerechtshof Amsterdam, 16-10-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3815, 17/00391

Gerechtshof Amsterdam, 16-10-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3815, 17/00391

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2018
Datum publicatie
24 oktober 2018
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2018:3815
Zaaknummer
17/00391

Inhoudsindicatie

Rioolheffing; onroerendezaakbelastingen; objectafbakening bedrijfs- kantoorpand; bij ontbreken van eigen (voor een kantoorruimte essentiële) voorzieningen, zijn de individuele kantoorkamers op de bovenverdieping geen ‘afzonderlijk geheel’ als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ en artikel 4 van de verordening rioolheffing.

Uitspraak

kenmerken 17/00391 en 18/00507

16 oktober 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 25 juli 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/5108 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2014 op één aanslagbiljet verenigd een aanslag onroerendezaakbelastingen (ozb) van € 282,95 en een aanslag rioolheffing van € 207,24 (hierna ook: de aanslagen) opgelegd ter zake van het gebruik van de onroerende zaak dan wel het perceel ‘[A]’ te [plaatsnaam].

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 4 november 2016 de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 25 juli 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 augustus 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 19 oktober 2017 en 25 juli 2018 nadere stukken ingediend. De nadere stukken zijn in afschrift aan de heffingsambtenaar verzonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Belanghebbende is aldaar verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. P.A. Schrijver. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1. Krachtens een “Huurovereenkomst kantoorruimte” tussen [Y] B.V. te [plaatsnaam] en eiser heeft eiser met ingang van 1 april 2013 het bedrijfspand “met een begane grond en eerste verdieping en buitenterreinen” [A] te [plaatsnaam] voor vijf jaar gehuurd van [Y] B.V. Blijkens een door verweerder overgelegde brief van 5 januari 2015 is deze overeenkomst beëindigd met ingang van 31 december 2014 (hierna: de beëindigingsbrief).

2. Eiser is op 22 april 2014 ingeschreven in de basisregistratie personen als inwoner van de gemeente [naam gemeente]. Tot die datum was eiser woonachtig op [xxx]. In 2013 is eiser gearresteerd; in 2014 is eiser uitgeleverd aan [naam land] waarna eiser tot 6 december 2016 gedetineerd was in [naam gemeente].”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.3.

De onderhavige aanslagen ozb en rioolheffing hebben betrekking op de bovenverdieping van het bedrijfspand [A] te [plaatsnaam] (hierna: het bedrijfspand).

2.4.

Het bedrijfspand bestaat uit een beneden- en een bovenverdieping. De bovenverdieping is uitsluitend toegankelijk via een trap gelegen achter een afsluitbare voordeur op de begane grond aan de straatzijde. De bovenverdieping heeft een vloeroppervlak van circa 300 m2 en bestaat uit een aantal afsluitbare kantoorkamers, een centrale ruimte, een pantry en sanitaire voorzieningen. De kantoorkamers beschikken niet over eigen sanitair, noch over een eigen gelegenheid voor het zetten van koffie en thee. De kantoorkamers zijn gelegen rondom de centrale ruimte, die voor algemeen gebruik is bestemd (als ontvangst- en/of vergaderruimte).

2.5.

De kantoorkamers op de bovenverdieping waren in 2014 (onder)verhuurd aan derden. Volgens het bij de rechtbank ingediende beroepschrift d.d. 13 november 2016 waren dat de volgende drie bedrijven: [1], [2] B.V. en [3] B.V.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslagen ozb en rioolheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag:

- (1) of de op de bovenverdieping gelegen kantoorkamers afzonderlijk zijn aan te merken als onroerende zaken en percelen voor de ozb c.q. de rioolheffing en, zo nee,

- (2) of belanghebbende voor het jaar 2014 is aan te merken als (belastingplichtige) gebruiker van de bovenverdieping.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing