Home

Gerechtshof Amsterdam, 04-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4442, 200.220.589/01

Gerechtshof Amsterdam, 04-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4442, 200.220.589/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
4 december 2018
Datum publicatie
8 januari 2019
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2018:4442
Formele relaties
Zaaknummer
200.220.589/01

Inhoudsindicatie

Vervolg op HR 3 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:360)

Partijen berekenen het NBI van de vrouw in de periode dat zij een uitkering krachtens de Participatiewet ontving, door deze uitkering op te tellen bij het KGB. Hof volgt partijen hierin. Nu gegevens van beide partijen over de afgelopen jaren bekend zijn, wordt van de verschillende periodes een berekening gemaakt.

Uitspraak

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.220.589/01

zaaknummer rechtbank: C/10/449578 / FA RK 14-3246

beschikking van de meervoudige kamer van 4 december 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.F. Nelisse te Schiedam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Vukovic te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 maart 2017 de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2015 en 13 januari 2016 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.2

Voor het verloop van de procedure tot de beschikking van de Hoge Raad verwijst het hof naar die beschikking.

1.3

De man heeft op 21 februari 2018 een conclusie na verwijzing door de Hoge Raad tevens wijziging c.q. vermeerdering van verzoek in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.4

De vrouw heeft op 26 maart 2018 een conclusie van antwoord na verwijzing door de Hoge Raad tevens akte houdende overlegging stukken ingediend.

1.5

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 22 maart 2018 met bijlagen (producties 5 tot en met 7), ingekomen op 23 maart 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 23 maart 2018 met bijlagen (onder meer productie 8);

- een journaalbericht van de zijde van de man van 27 maart 2018 met bijlage (inhoudende een wijziging van verzoek).

1.6

De zaak is op 4 april 2018 ter terechtzitting behandeld.

Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van partijen is [in] 2003 te [geboorteplaats] geboren [de minderjarige] , (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

De man heeft [de minderjarige] erkend.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij beschikking van de rechtbank van 29 oktober 2014 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2014 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) dient te betalen van

€ 176,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.2.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van

7 januari 2014 een bedrag aan kinderalimentatie van € 488,50 per maand dient te betalen.

3.3

De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht de verzoeken van de vrouw ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep heeft hij, met vernietiging van de bestreden beschikking, verzocht te bepalen dat hij met ingang van 1 januari 2015 dan wel met ingang van de datum van de beschikking van het hof, aan de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie van € 13,60 per maand zal voldoen en dat de kinderalimentatie met ingang van 1 november 2015 op nihil zal worden gesteld.

3.4

In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw verzocht het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren.

3.5.

Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 26 augustus 2015 de bestreden beschikking vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie dient te betalen in de periode van 7 januari 2014 tot 16 mei 2014 van € 215,- per maand en in de periode van 16 mei 2014 tot 1 januari 2015 van € 268,- per maand. Voorts heeft het hof, in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen in de zaak van het hof Den Haag van 3 juni 2015 [ECLI:NL:GHDHA:2015:1288] voorlopig bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie dient te betalen in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 van € 176,- per maand en met ingang van 1 juli 2015 van € 13,- per maand. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 is aangehouden.

3.6

Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 13 januari 2016 de bestreden beschikking, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 een bedrag aan kinderalimentatie dient te betalen € 353,- per maand, met dien verstande dat de bedragen die de man vanaf 1 januari 2015 tot 13 januari 2016 heeft betaald, daarop in mindering strekken.

3.7

De man heeft van deze beschikking beroep in cassatie ingesteld.

3.8

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 maart 2017 de beschikkingen van het hof Den Haag van 26 augustus 2015 en 13 januari 2016 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

3.9

De man heeft na wijziging c.q. vermeerdering van zijn verzoek bij conclusie na verwijzing bij journaalbericht van 27 maart 2018 zijn verzoek opnieuw vermeerderd in die zin dat hij heeft verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat:

I. hij met ingang van 1 januari 2015 tot 1 november 2015 aan de vrouw dient te

voldoen een bijdrage van € 300,- (het hof begrijpt: per maand) aan

kinderalimentatie;

II. hij met ingang van 1 november 2015 aan de vrouw dient te voldoen een bijdrage van

€ 312,85 (het hof begrijpt: per maand) aan kinderalimentatie;

III. de vrouw hetgeen zij op grond van de beschikking d.d. 13 januari 2016 ten titel van

kinderalimentatie teveel heeft ontvangen, aan de man dient terug te betalen en wel:

- over de periode van 1 januari 2015 tot en met april 2018 in totaal een bedrag ad

€ 1.634,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum beschikking en

- te bepalen dat de man bevoegd is om hetgeen hij op grond van deze beschikking ten titel van kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2018 teveel heeft betaald met de lopende kinderalimentatie te verrekenen, althans dat de vrouw hetgeen zij op grond van deze beschikking vanaf 1 mei 2018 ten titel van kinderalimentatie teveel heeft ontvangen aan de man dient terug te betalen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum beschikking,

althans een zodanige beslissing als het hof juist acht.

4 Beoordeling van het hoger beroep

5 Beslissing