Gerechtshof Amsterdam, 05-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4514, 23-001305-17
Gerechtshof Amsterdam, 05-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4514, 23-001305-17
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 december 2018
- Datum publicatie
- 11 december 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4514
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1220, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23-001305-17
Inhoudsindicatie
Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Vordering bp.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: C
datum uitspraak: 5 december 2018
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-650270-15 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2017 en 21 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
primair hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2015 tot en met 22 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een trauma capitis met klein subduraal hematoom rechts frontaal en/of een nasale fractuur en/of een posttraumatische stress-stoornis en/of een of meer cognitieve klacht(en)) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet eenmaal of meermalen (met een vuist en/of een elleboog) in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of met een fles op het (achter)hoofd te slaan en/of tegen het (achter)hoofd te schoppen en/of te trappen en/of waarna en/of waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen;
subsidiair hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2015 tot en met 22 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met een vuist en/of een elleboog) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of met een fles op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of tegen het (achter)hoofd heeft geschopt en/of getrapt en/of waarna en/of waardoor die Vermij ten val is gekomen;
en/of
hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2015 tot en met 22 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk de gezondheid van [slachtoffer] heeft benadeeld en/of opzettelijk mishandelend [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met een vuist en/of een elleboog) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of met een fles op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of tegen het (achter)hoofd heeft geschopt en/of getrapt en/of waarna en/of waardoor die Vermij ten val is gekomen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een trauma capitis met klein subduraal hematoom rechts frontaal en/of een nasale fractuur en/of een posttraumatische stress-stoornis en/of een of meer cognitieve klacht(en)), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd.
Vrijspraak van het primair en het subsidiair eerste alternatief ten laste gelegde
Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Zoals hierna zal worden overwogen, acht het hof bewezen dat de verdachte het slachtoffer twee maal met gebalde hand tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor het slachtoffer tegen de grond is gevallen. Ten gevolge van dit handelen heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat het ontstaan van dit zware letsel door de verdachte is gewild, kan niet worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het slaan met gebalde vuist tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar letsel in het leven roepen. In het onderhavige geval kan het hof echter dergelijke omstandigheden onvoldoende vaststellen, met name waar het gaat om de kracht waarmee de verdachte heeft geslagen. Het hof acht dan ook, anders dan de advocaat-generaal, bedoelde aanmerkelijke kans, en daarmee voorwaardelijk opzet, niet bewezen.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder subsidiair tweede alternatief ten laste gelegde
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar aan het hof overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit van het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het geconstateerde hersenletsel door toedoen van de verdachte is veroorzaakt en dat het dossier aanknopingspunten biedt voor de stelling dat het slachtoffer door anderen tegen het hoofd is geschopt dan wel op het hoofd is geslagen met een fles.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.
In de nacht van 21 op 22 maart 2015 is het slachtoffer in de club [naam] te Amsterdam mishandeld. Uit de zich in het dossier bevindende (medische) stukken blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van de mishandeling:
- enkele minuten buiten bewustzijn is geweest,
- een snijwond op zijn achterhoofd had en
- een nasale fractuur en letsel aan het hoofd (trauma capitis en subduraal hematoom) heeft opgelopen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard drie keer met zijn vuist naar het slachtoffer te hebben uitgehaald, waarbij hij het slachtoffer twee keer tegen het hoofd heeft geraakt, waardoor het slachtoffer naar de grond is gegaan. Deze verklaring vindt steun in de beelden van het incident, waarop is te zien dat het slachtoffer direct na het door de verdachte uitgeoefende geweld naar de grond gaat. De suggestie van de verdediging in hoger beroep dat het slachtoffer niet door de vuistslagen van de verdachte, maar door andere omstandigheden naar de grond is gevallen, wordt door het hof dan ook terzijde geschoven.
Het hof is van oordeel dat bedoeld geweld – het met gebalde hand slaan tegen het hoofd en het vervolgens door het slachtoffer naar de grond gaan in een volle bar – zonder meer het hiervoor omschreven letsel kan veroorzaken. Aldus heeft als uitgangspunt te gelden dat het letsel door toedoen van het handelen van de verdachte is veroorzaakt.
Het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario voor het ontstaan van het zware letsel, te weten dat het slachtoffer met een fles op het hoofd zou zijn geslagen en/of dat het slachtoffer, terwijl het op de grond lag, door derden tegen het hoofd zou zijn geschopt, is niet aannemelijk geworden. Daarbij is met name van belang dat geen van de getuigen dergelijke geweldshandelingen heeft waargenomen. Het alternatieve scenario vindt evenmin steun in de beelden van het incident.
Nu geen andere geweldsuiting richting het slachtoffer aannemelijk is geworden, kan het letsel van het slachtoffer uitsluitend worden verklaard door (de gevolgen van) de vuistslagen van de verdachte.