Home

Gerechtshof Amsterdam, 18-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4691, 23-003959-16

Gerechtshof Amsterdam, 18-12-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4691, 23-003959-16

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
21 maart 2019
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2018:4691
Zaaknummer
23-003959-16

Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003959-16

datum uitspraak: 18 december 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2016 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-669083-14 tegen de veroordeelde:

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 107.312,76. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 september 2016 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 106.062,76.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2015 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - i) diefstal vergezeld van geweld tegen personen, terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen; ii) afpersing, terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen; en iii) het medeplegen van oplichting.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 24 oktober 2016 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 106.062,76 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2016 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - i) diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen; ii) diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen; en iii) het medeplegen van oplichting.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Verplichting tot betaling aan de Staat

Toepasselijk wettelijk voorschrift

BESLISSING