Home

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1848, 200.237.414/02 OK

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1848, 200.237.414/02 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
4 juni 2019
Datum publicatie
29 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:1848
Zaaknummer
200.237.414/02 OK

Inhoudsindicatie

OK; enquête; afwijzing verzoek tot het treffen van aanvullende onmiddellijke voorzieningen; art. 2:349a lid 2 BW

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.237.414/02 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 4 juni 2019

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [....] ,

2. Ferdinandus Johannus Judocus DEMEIJER,

wonende te Gendt,

3. Christian René HUISKES,

wonende te Deventer,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. M.P.M. Fruytier, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1 [B] ,

wonende te [....] ,

2. [C],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. K. Rutten en mr. J.L. van Maanen, beiden kantoorhoudende te Utrecht ( [B] werd voorheen bijgestaan door mr. M. van Leeuwen),

e n t e g e n

3 [D] ,

wonende te [....] ,

4. [E] ,

p/a [O] te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. L.M. Graal, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[F] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[G] ,

beide gevestigd te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J.P.J.M. Naus, kantoorhoudende te Nijmegen.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

-

verzoekers respectievelijk met [A] , Demeijer en Huiskes en gezamenlijk met [H] ;

-

belanghebbenden sub 1 en 2 met [B] respectievelijk [C] en gezamenlijk met [I] ;

-

belanghebbenden sub 3 en 4 met [D] respectievelijk [E] en gezamenlijk met [J] ;

-

belanghebbende sub 5 en 6 met [F] respectievelijk [G] en gezamenlijk met [K] ;

-

[L] ;

-

[M] ;

-

[N] ;

-

[O] .

-

[P] ;

-

[Q] .

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar twee beschikkingen in deze zaak van 2 juli 2018. Bij die beschikkingen heeft zij, onder aanhouding van de aanwijzing van een onderzoeker, een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [A] over de periode vanaf 1 januari 2016 alsmede, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen vooralsnog voor de duur van het geding, Demeijer benoemd tot zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder met beslissende stem, zonder wie [A] niet vertegenwoordigd kan worden, en Huiskes benoemd tot beheerder van aandelen aan wie alle aandelen in Gerikink Beheer met uitzondering van steeds één aandeel van ieder van de aandeelhouders (waarbij [E] als één aandeelhouder worden gezien) ten titel van beheer zijn overgedragen.

1.3

[H] hebben bij op 28 november 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

primair

-

i) artikel 10 van de statuten van [A] , althans het uit dat artikel voor aandeelhouders voortvloeiende recht van eerste koop van aandelen, buiten werking te stellen;

-

ii) [C] , [B] , [D] , [N] en [O] te verplichten mee te werken aan overdracht aan [F] of [G] van de door ieder van hen in [A] gehouden aandelen, alsmede van de door ieder van hen gehouden aandelen in het door hen met [A] in gemeenschappelijke eigendom gehouden omliggende onroerend goed, een en ander in overeenstemming met de in het voorstel van [F] / [G] van 10 september 2018 opgenomen voorwaarden;

subsidiair

( iii) alle door [C] , [B] , [D] , [N] en [O] gehouden aandelen in – de Ondernemingskamer verstaat – [A] ten titel van beheer over te dragen aan Huiskes en Huiskes te machtigen om op de kortst mogelijke termijn de aan hem in beheer overgedragen aandelen te verkopen aan [F] / [G] , althans aan de hoogste bieder die een voor acceptatie vatbare aanbieding doet;

meer subsidiair

-

iv) Demeijer te machtigen de aan [A] in eigendom toebehorende onroerende zaken op de kortst mogelijke termijn te verkopen aan [G] conform de tussen hen bestaande koopovereenkomst van 18 maart 2018 alsmede artikel 21 lid 2 sub a van de statuten van [A] , althans het daaruit voor de aandeelhouders van [A] voortvloeiende instemmingsrecht bij verkoop van onroerende zaken buiten werking te stellen;

-

v) [C] c.q. [L] te verbieden de vordering van circa € 558.000 die zij beweren te hebben op [A] jegens haar in te stellen;

-

vi) zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht.

1.4

[B] en [C] hebben bij op 24 januari 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, met producties, geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met hoofdelijke veroordeling van [H] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad.

1.5

[K] hebben, bij eveneens op 24 januari 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, met productie, verzocht de hiervoor in 1.3 onder (i) tot en met (iii) verzochte onmiddellijke voorzieningen te treffen, kosten rechtens.

1.6

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 14 februari 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen, wat mr. Fruytier en mrs. Rutten en Van Manen betreft onder gelijktijdige overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden toegezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Ter terechtzitting heeft mr. Graal te kennen gegeven dat [J] het hiervoor onder 1.3 sub (i) tot en met (iii) vermelde verzoek van [H] ondersteunen en dat zij zich voor het overige refereren aan het oordeel van de Ondernemingskamer.

1.7

Na de mondelinge behandeling hebben betrokkenen onder begeleiding van een mediator tevergeefs geprobeerd – zo begrijpt de Ondernemingskamer – om tot een minnelijke regeling te komen, waarna Demeijer op 16 april 2019 namens alle partijen aan de Ondernemingskamer heeft verzocht uitspraak te doen.

2 De feiten

3 De gronden van de beslissing

4 De beslissing