Home

Gerechtshof Amsterdam, 17-10-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3796, 200.256.695/01 OK en 200.256.695/02 OK

Gerechtshof Amsterdam, 17-10-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3796, 200.256.695/01 OK en 200.256.695/02 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17 oktober 2019
Datum publicatie
21 november 2019
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:3796
Zaaknummer
200.256.695/01 OK en 200.256.695/02 OK

Inhoudsindicatie

OK; Enquête; Tweede fase beschikking; Vaststelling wanbeleid

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummers: 200.256.695/01 OK en 200.256.695/02 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 17 oktober 2019

inzake

1 [A] ,

wonende te [....] ,

2. [B],

wonende te [....] ,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. J.T. Stekelenburg, kantoorhoudende te Holten,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] (in liquidatie),

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaten: mr. H. Dulack en mr. G.J. Boeve, beiden kantoorhoudende te Utrecht,

e n t e g e n

1 [D] ,

wonende te [....] ,

advocaten: mr. E.J. Bink en mr. L.Z. Bosman, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

2. [E],

wonende te [....] ,

3. [F],

wonende te [....] ,

niet verschenen,

BELANGHEBBENDEN.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen en andere personen (ook) als volgt worden aangeduid:

- verzoekers afzonderlijk: [A] respectievelijk [B] ;

gezamenlijk: [A] c.s.;

-

verweerster: [C] ;

-

belanghebbende sub 1: [D] ;

-

belanghebbende sub 2: moeder;

- belanghebbende sub 3: [F] .

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 2 augustus 2018, 8 augustus 2018, 11 december 2018, 31 januari 2019 en 6 maart 2019 alsmede naar de beschikking van de raadsheer-commissaris van 24 december 2018 in deze zaak.

1.3

Bij de beschikkingen van 2 en 8 augustus 2018 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [C] over de periode vanaf 1 september 2012, drs. E.A. Marseille RA (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding – [D] en moeder geschorst als bestuurders van [C] , drs. H.C. van Eyck van Heslinga (hierna: Van Eyck van Heslinga) als tijdelijk bestuurder van [C] benoemd en bepaald dat de aandelen in [C] – telkens met uitzondering van één aandeel – van ieder van de aandeelhouders ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. A.L. Leuftink (hierna: Leuftink), met bepaling dat met betrekking tot de ten titel van beheer overgedragen aandelen aan de contractuele bepaling tussen partijen, inhoudende dat het stemrecht op de aandelen wordt toegekend aan moeder als vruchtgebruiker, geen werking toekomt, en, voor zover nodig, buitenwerkingstelling van artikel 30 lid 3 van de statuten van [C] . Het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten is vastgesteld op € 40.000 (exclusief omzetbelasting).

1.4

Bij de beschikking van 11 december 2018 heeft de Ondernemingskamer – op verzoek van Van Eyck van Heslinga en Leuftink – Van Eyck van Heslinga uit de functie van bestuurder van [C] ontheven, Leuftink uit de functie van beheerder van aandelen van [C] ontheven en Van Eyck van Heslinga als beheerder van aandelen zoals bedoeld in de beschikking van 2 augustus 2018 in deze zaak benoemd.

1.5

Bij de beschikking van 24 december 2018 heeft de raadsheer-commissaris op verzoek van de onderzoeker [D] bevolen om de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van [C] die informatie bevatten over de in de beschikking omschreven onderwerpen volledig en onvoorwaardelijk ter inzage te geven aan de onderzoeker.

1.6

Bij de beschikking van 31 januari 2019 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het op die datum ter griffie ingekomen onderzoeksverslag, gedateerd 30 januari 2019, (tezamen met de bijlagen) ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.

1.7

Bij de beschikking van 6 maart 2019 heeft de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker bepaald op € 21.295,80, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.

1.8

[A] c.s. hebben bij op 21 maart 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties (zaaknummer 200.256.695/01), de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:355 BW verzocht, zakelijk weergegeven, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen dat uit het onderzoeksverslag van wanbeleid van [C] blijkt, dat [D] en moeder voor het wanbeleid verantwoordelijk zijn, dat [D] de hoofdverantwoordelijkheid draagt en moeder de medeverantwoordelijkheid en voorts op de voet van artikel 2:356 BW de volgende voorzieningen te treffen:

a. [D] te ontslaan als bestuurder van [C] ;

b. moeder te ontslaan als bestuurder van [C] ;

c. [C] voorwaardelijk – voor het geval op enig moment in een gerechtelijke procedure het (eerdere) besluit tot ontbinding van [C] van 7 november 2018 wordt vernietigd/komt vast te staan dat genoemd besluit nietig is – te ontbinden;

d. Leuftink, althans een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon, voorwaardelijk – voor het geval op enig moment in een gerechtelijke procedure het (eerdere) besluit tot benoeming van Leuftink als vereffenaar van [C] van 7 november 2018 wordt vernietigd/komt vast te staan dat genoemd besluit nietig is – te benoemen als vereffenaar van [C] ;

e. alle aandelen in [C] , met uitzondering van één aandeel van ieder der aandeelhouders, ten titel van beheer over te dragen aan Van Eyck van Heslinga, althans een door de Ondernemingskamer aan te wijzen beheerder, met bepaling dat met betrekking tot de ten titel van beheer overgedragen aandelen aan de contractuele bepaling tussen partijen, inhoudende dat het stemrecht op de aandelen wordt toegekend aan moeder als vruchtgebruiker, geen werking toekomt, en dat in dat kader artikel 30 lid 3 van de statuten van [C] zo nodig buiten werking wordt gesteld, zo lang als de vereffening van het vermogen van [C] duurt;

f. althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer noodzakelijk acht,

met veroordeling van [C] in de kosten van dit geding.

1.9

Bij op 15 april 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift heeft [C] zich gerefereerd met betrekking tot de verzoeken van [A] c.s.

1.10

[C] heeft harerzijds bij op 15 april 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift (zaaknummer 200.256.695/02), de Ondernemingskamer op voet van artikel 2:354 BW verzocht te beslissen primair dat [C] de onderzoekskosten mag verhalen op [D] en moeder en hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten aan [C] , subsidiair dat [C] de onderzoekskosten mag verhalen op [D] voor het geheel en op moeder voor het gedeelte waarvoor zij naar het oordeel van de Ondernemingskamer verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid en [D] en moeder te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten aan [C] voor respectievelijk het geheel en het met haar verantwoordelijkheid corresponderende gedeelte daarvan, althans meer subsidiair dat [C] de onderzoekskosten mag verhalen op [D] en moeder voor het gedeelte waarvoor zij naar het oordeel van de Ondernemingskamer verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid en [D] en moeder te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten voor het met respectievelijk zijn en haar verantwoordelijkheid corresponderende gedeelte daarvan.

1.11

Bij op 30 april 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift hebben [A] c.s. zich gerefereerd met betrekking tot het verzoek van [C] .

1.12

Bij op 13 mei 2019 ter griffie ingekomen verweerschrift, met producties, heeft [D] geconcludeerd tot afwijzing van de onder 1.8 en 1.10 vermelde verzoeken.

1.13

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 16 mei 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht, mr. Stekelenburg en mrs. Bink en Bosman aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en wat mrs. Dulack en Boeve en mr. Stekelenburg betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

3 Het onderzoek en de inhoud van het verslag

4 De gronden van de beslissing

5 De beslissing