Home

Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1359, 200.249.229/01 en 200.249.399/01

Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1359, 200.249.229/01 en 200.249.399/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12 mei 2020
Datum publicatie
29 december 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2020:1359
Zaaknummer
200.249.229/01 en 200.249.399/01

Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 16 april 2019. Is vordering op de bank stil verpand aan de holding? Evenals de eerste rechter oordeelde, is niet voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 BW in verbinding met art. 3:98 BW voortvloeiende bepaaldheidsvereiste (HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488). De pandakte bevat geen gegevens of verwijzingen, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat (ook) deze vordering is verpand.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers : 200.249.229/01 en

200.249.399/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/627539/HA ZA 17-400

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2020

inzake:

200.249.229/01

[appellante] B.V.,

gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,

appellante,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

tegen

1 ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.C. Rozeman te Amsterdam,

2. mr. [geïntimeerde],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bowie Recycling B.V.,

kantoorhoudende te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A.A.J. Fick-Nolet te ‘s-Hertogenbosch

en

200.249.399/01

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. A.C. Rozeman te Amsterdam,

tegen

mr. [geïntimeerde] ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bowie Recycling B.V.,

kantoorhoudende te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. W.A.A.J. Fick-Nolet te ’s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna [appellante] , de Bank en de Curator genoemd.

1 Het (verdere) verloop in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 5 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, de Bank als gedaagde en de Curator als interveniënt.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens akte tot wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord zijdens de Curator;

- memorie van antwoord zijdens de Bank, met producties.

in zaak 200.249.399/01

De Bank is bij dagvaarding van 5 oktober 2018 (eveneens) in hoger beroep gekomen van het genoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2018. De Bank heeft vervolgens ook een memorie van grieven (tevens incidentele conclusie) ingediend, waarop de Curator in het incident heeft geantwoord. Bij (tussen)arrest in het incident van 16 april 2019 is de zaak gevoegd met de zaak 200.249.229/01. Na dat tussenarrest heeft de Curator een memorie van antwoord tevens houdende wijziging van eis ingediend. De Bank heeft een akte uitlaten eiswijziging genomen, waarop de Curator bij antwoordakte uitlaten eiswijziging heeft gereageerd.

in beide zaken

Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 maart 2020 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellante] heeft nog een productie overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

in zaak 200.249.229/01

[appellante] heeft na vermindering van eis geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de Bank zal veroordelen om aan haar te betalen € 121.016,67 vermeerderd met de wettelijke rente daarover en met veroordeling van de Bank en de Curator in de kosten van de procedure in beide instanties.

De Curator heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

De Bank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en rente.

in zaak 200.249.399/01

De Bank heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en primair de vordering van de Curator (waaronder die tot betaling van nakosten) alsnog zal afwijzen en subsidiair de vordering tot betaling van wettelijke rente alsnog zal afwijzen, met in beide gevallen – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de Curator in de kosten van de procedure in beide instanties met nakosten en rente.

De Curator heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en bij vernietiging zijn eis aldus gewijzigd dat subsidiair wordt gevorderd een verklaring voor recht dat de Bank gehouden is tot afdracht van het bedrag van € 118.465,72 aan de Curator met veroordeling van de Bank in de proceskosten met nakosten en rente.

2 Feiten in beide zaken

De rechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en binden derhalve ook het hof. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[appellante] is een holdingmaatschappij. Via haar dochtermaatschappij R. [A] B.V. (hierna: [A] ) houdt zij de aandelen in Bowie Recycling B.V. (hierna: Bowie), [B] B.V. (hierna: [B] ) en Bowie Beton B.V. (hierna: Beton).

2.2.

[appellante] heeft op 31 december 2010 een geldlening verstrekt aan Bowie van

€ 3,1 miljoen.

2.3.

Bowie heeft bij geregistreerde (stam)pandakte van 31 december 2010 een (bezitloos/stil) pandrecht verstrekt ten gunste van [appellante] op alle aan haar toebehorende roerende zaken, waaronder inventaris, machines en bedrijfsvoorraden. Verder heeft zij zich verbonden tot vestiging van een pandrecht op alle vorderingen die zij op derden heeft of zal hebben.

2.4.

Bowie, [B] en Beton hebben een contractuele relatie met de Bank. Op grond van een saldocompensatieovereenkomst van 9 januari 2014 met de Bank worden de credit- en debetsaldi op de bankrekeningen van deze door de overeenkomst verbonden drie vennootschappen met elkaar verrekend.

2.5.

De vervolgpandakte van 20 januari 2014, geregistreerd op 27 januari 2014, (hierna: de vervolgpandakte) met Bowie als pandgever en [appellante] en [A] (gezamenlijk en ieder voor zich) als pandnemer luidt, voor zover hier relevant:

“(...)

Geeft pandgever aan pandnemer in pand:

De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79.

Naam Eerste debiteur: [C]

Naam Laatste debiteur: [D]

Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s.

De verpanding vindt plaats op de wijze en onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding van bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend.”.

2.6

Op 28 januari 2014 zijn [A] , Bowie en [B] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de Curator als zodanig.

3 Beoordeling

4 Beslissing