Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:648, 200.258.736/01
Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:648, 200.258.736/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 maart 2020
- Datum publicatie
- 6 juli 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2020:648
- Zaaknummer
- 200.258.736/01
Inhoudsindicatie
Inzagerecht op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.258.736/01
zaak-/rekestnummers rechtbank Noord-Holland : C/15/273938 / HA RK 18-80
C/15/276302 / HA RK 18-116
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2020
inzake
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.L. Ubels te Amsterdam.
1 Procesverloop
Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] en afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellante sub 2] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna ABN AMRO genoemd.
[appellanten] zijn bij beroepschrift met producties B-1 tot en met B-29, ontvangen ter griffie van het hof op 1 mei 2019, in hoger beroep gekomen van de onder bovengenoemd zaak-/rekestnummers gegeven beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2019 (hierna: de bestreden beschikking). Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van [appellanten] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) alsnog zal toewijzen, de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in eerste aanleg zal vernietigen, en zal toelaten dat [appellanten] zonder procesvertegenwoordiging het beroepschrift indienen, een en ander met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties.
Op 3 mei 2019 zijn van de zijde van [appellanten] de nadere producties B-30 tot en met B-41 ter griffie van het hof ingekomen.
Op 2 augustus 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift van ABN AMRO ingekomen. Zij heeft het hof verzocht het hoger beroep van [appellanten] te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten, met nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de desbetreffende bedragen vanaf één dag na het te wijzen arrest.
Van de zijde van [appellanten] zijn op 18 december 2019, 23 december 2019 en 30 december 2019 nadere stukken ter griffie van het hof ingekomen.
De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 10 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn [appellanten] verschenen. [appellante sub 2] heeft het beroepschrift toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Aan de zijde van ABN AMRO zijn verschenen D. Noordhoek en A.F. Ferwerda, beiden bedrijfsjurist bij ABN AMRO, bijgestaan door mr. Ubels voornoemd, die het verweerschrift van ABN AMRO heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Bij die gelegenheid heeft ABN AMRO bezwaar gemaakt tegen de indiening van de bij 1.5 vermelde nadere stukken van de zijde van [appellanten] en verzocht deze buiten beschouwing te laten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de overlegging daarvan in strijd is met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de nadere stukken nieuwe grieven bevatten. [appellanten] hadden, gelet op de in artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) besloten liggende twee-conclusie-regel, de grieven tegen de betreffende oordelen van de rechtbank niet later dan in haar beroepschrift naar voren moeten brengen. Niet gebleken is dat in de onderhavige zaak aanleiding bestaat een uitzondering te maken op voornoemde (in beginsel strakke) regel. Het hof gaat daarom aan deze nieuwe grieven voorbij.
Vervolgens is uitspraak bepaald.
2 Feiten
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven 5 tot en met 7 bestrijden [appellanten] deze feitenvaststelling op een aantal onderdelen. Het hof zal daarmee, voor zover van belang, in het navolgende rekening houden. Het gaat in deze zaak – voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – om het volgende.
[appellant sub 1] had tot 2009 een gezamenlijk vermogen met zijn broer. In 2009 is dit vermogen middels (vastgoed)transacties waar ABN AMRO bij betrokken was tussen hen verdeeld (hierna: de verdeling).
In een procedure voor de rechtbank Amsterdam heeft [appellant sub 1] zich in de hoofdzaak – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat zijn broer, ABN AMRO en het kantoor van de bij de verdeling betrokken notaris onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant sub 1] stelt te hebben geleden als gevolg van de verdeling en van diverse overboekingen. Bij incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv heeft [appellant sub 1] afgifte gevorderd van correspondentie tussen zijn broer, ABN AMRO en de betrokken notaris. Bij vonnis van 9 november 2016 heeft de rechtbank alle vorderingen van [appellant sub 1] afgewezen en [appellant sub 1] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van ABN AMRO. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat [appellant sub 1] bij de verdeling van het vermogen nadrukkelijk wist waarmee hij instemde, dat niet is gebleken dat tijdens de onderhandelingen ten behoeve van de verdeling ongeoorloofde druk op [appellant sub 1] door zijn broer is uitgeoefend of [appellant sub 1] onderliggende documentatie is onthouden, dat [appellant sub 1] voldoende op de hoogte was van alle documentatie en informatie en dat niet duidelijk is geworden waarom [appellant sub 1] meent dat hij door zijn broer financieel is benadeeld. Zijn incidentele vordering is wegens gebrek aan belang afgewezen.
In het kader van hiervoor bedoelde procedure heeft [appellant sub 1] tevens een verzoek gediend tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor om inzicht te krijgen in de oorzaak van het verdwijnen van een geldbedrag van 15 miljoen gulden en in hoeverre de broer van [appellant sub 1] , ABN AMRO en de betrokken notaris daarbij een rol hebben gespeeld. Bij beschikking van
9 november 2016 is het verzoek wegens onvoldoende belang afgewezen. Daartoe is overwogen dat de feiten en omstandigheden waarvan [appellant sub 1] in het voorlopig getuigenverhoor bewijs bijeen wil brengen, gelet op vorenbedoeld vonnis van 9 november 2016, niet kunnen bijdragen aan een beslissing in de bodemprocedure. Bij (onherroepelijk geworden) arrest van 27 november 2018 is dit vonnis door dit hof bekrachtigd, met uitzondering van de veroordeling van [appellant sub 1] in de volledige proceskosten.
[appellanten] hebben vervolgens diverse verzoeken bij ABN AMRO ingediend met betrekking tot het verstrekken van informatie.
Bij brief van 5 maart 2018 heeft [appellant sub 1] op de voet van artikel 35 Wbp (oud) een informatieverzoek ingediend bij ABN AMRO. In deze brief is – voor zover van belang – het volgende geschreven:
“Op basis van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens verzoek ik binnen vier weken na dagtekening van deze brief schriftelijk mij aan te gegeven of u mijn persoonsgegevens verwerkt. Zo ja, dan verzoek ik u mij een begrijpelijk overzicht te geven van alle persoonsgegevens die ABN AMRO en met name de afdeling Private Wealth Management van uw bank van mij heeft verwerkt,(...)
Ik ontvang graag een kopie van mijn volledige cliëntendossier, waaronder begrepen, doch overigens
niet beperkt daartoe, omdat ik ervan uitga dat deze gegevens door u zijn bijgehouden:
-
Mijn contact- en adresgegevens in uw systemen vanaf de opening van mijn bankrekeningen. Te weten: mijn telefoonnummers, mijn adres(sen) en mijn email adressen. Het gaat ook om de werkelijk door uw organisatie gebruikte telefoonnummers en email adressen. Gebruikte u het e-mailadres: [e-mailadres] in uw systeem? En zo ja, wanneer en voor welke zaken.
-
Een schriftelijke uitwerking van de door u gevoerde telefoongesprekken met mij en de door u uitgevoerde gesprekken over mijn vermogen.
-
De inventarisatie van mijn kredietwaardigheid:
-
bij de aankoop van het appartement aan de [adres 1] te [plaats A] op 6 oktober 2000;
-
ij de aankoop van het landgoed [landgoed 1] door de [B.V.] op 5 juli 2004. Dit landgoed was vanaf 22 juli 2005 mijn eigen woning tot 29 december 2009;
-
de aankoop van mijn eigen woning [naam woning] , [adres 2] te [plaats B] en de aankoop van de helft van het weiland van mijn broer op 29 december 2009, waarbij ik voor een krediet van mijn broer zekerheid moest verstrekken van EUR 1.000.000.
4. Informatie over de getekende openingscontracten en ‘electronic banking contracten’ van de
navolgende bankrekeningen en de oorspronkelijke tenaamstelling als deze is in de loop der
tijd is gewijzigd. Indien dit het geval is, wanneer deze tenaamstellingswijziging werd
doorgevoerd en door wie: ( bijlage 1 , overzicht van 15 september 2009 en van 29 december
2010).
5. De openingscontracten van mijn betaal- en spaarrekeningen met nummers: [1] ;
[2] ; [3] .
6. Het ‘electronic banking’ contract’ met nummer: [4] en wie toegang had tot welke
rekening(en) en sinds wanneer.
7. De openingscontracten van de bankrekeningen van [X] . Het betreft de
rekeningen met nummers: [5] ; [6] ; [7] .
8. Het ‘electronic banking contract’ met nummer: [8] en wie toegang had tot welke
rekening(en) en sinds wanneer.
9. Ik was niet de wettelijk vertegenwoordiger van [X] . Waarom stond deze
rekening op mijn naam en was deze gekoppeld aan mijn naam. Tevens wil ik weten wanneer
deze rekeningen zonder mijn toestemming zijn weggeboekt van mijn bankingpagina en wie
daartoe opdracht heeft gegeven en wie dit heeft uitgevoerd. Dit is gebeurd na 2010.
10. De openingscontracten van de en/of rekeningen en het en/of deposito met nummers:
[9] en [10] en [11] .
11. Het ‘electronic banking’ met nummer [12] en wie toegang had tot welke
rekening(en) en sinds wanneer.
12. Op welk(e) adres(sen) deze bovenstaande bankrekeningen stonden en wanneer en door wie
het adres werd gewijzigd en met welk formulier. Tevens wil ik weten wie deze adreswijziging
heeft doorgegeven en welke medewerker binnen uw organisatie deze wijziging heeft doorgevoerd.
13. Alle correspondentie rondom de deposito’s op de en/of rekening, volgens mijn informatie op
rekeningnummer [9] zoals de offertes, contracten en brieven, en specifiek de
volgende punten.
14. Wie adviseerde rondom de financiering van 1 december 2000, wie stelde de verklaring op in
het kader van de verdeling van 1 december 2000 binnen uw bank en waarom werd deze
verklaring door u gevraagd in uw brief van 23 november 2000 (bijlage 2, brief en de verklaring), Ik ontvang graag een kopie van alle adviesbrieven alsmede gespreksnotities van kantoor Bloemendaal alsmede kantoor Haarlem, w.o. mevrouw [J] . Wie waren de behandelaars bij het kantoor Bloemendaal naast de beer [W] .
15. Waarom en door wie en in opdracht van wie werd het concept van de kredietovereenkomst
van 6 september 2000 gewijzigd. Deze versie wijkt af van de definitieve versie. De laatste
clausule over de positieve grondhouding in de definitieve versie is verwijderd ( bijlage 3 , de
beide versies).
16. Een kopie van het concept en getekende verpandingsakte. Volgens de offertebrief van 7
september 2000 was dat een bijlage. Die verpandingsakte heb ik niet in mijn bezit. ( bijlage 4 ,
kopie brief van 7 september 2000, met verwijzing onderaan naar de verpandingsakte).
17. Een kopie van de afrekening op mijn naam van de notaris die u in uw dossier heeft van de
economische verdeling van 1 december 2000;
18. Een kopie van de betaalinstructie waarbij uw bank NLG 15.000.000 overboekte naar de
derdengeld rekening bij de notaris.
19. Alle correspondentie over de opening van mijn bankrekening te Monaco van het filiaal
Bloemendaal met de heer [K] van de ABN AMRO bank te Monaco en de toelichting die de
heer [W] gaf aan de heer [K] wat betreft “witwassen (zie hiervoor punt 14).
20. Wie adviseerde rondom de financiering van de aankoop van het appartement van de
[adres 1] op 6 oktober 2000. Waarom en door wie werd de lening op het laatste moment
verhoogd.
21. Wie adviseerde rondom de financiering van de aankoop van landgoed [landgoed 2] door de
[B.V.] op 17 december 2003. Op dat moment werd de lening van 1 december 2000
afgelost. Wat voor onderzoek is er verricht naar de herkomst van het vermogen? Werd er
kennis genomen van het “oude dossier” van de transactie van 1 december 2000 en het briefje
van [broer van appellant sub 1] en mij van 24 november 2000 (zie hiervoor punt 14 en bijlage 2).
22. Een kopie van de getekende versie van de deposito overeenkomst waarvan in het dossier van
de Notaris een ongetekende versie zat van de “ [landgoed 1] ” transactie van 5 juli 2004 ( bijlage 5 )
23. Wie adviseerde rondom deze financiering van de “ [landgoed 1] ” transactie en adviseerde om dit deposito op een en/of rekening te storten? Graag ontvang ik kopieën van alle (advies-)brieven en gespreksverslagen.
23. Een kopie van de afrekening van de notaris in uw dossier van de transactie van 5 juli 2004 van
landgoed [landgoed 1] .
25. Er waren twee deposito’s volgens uw bankafschrift (bijlage 6). Van het deposito van EUR
1.000.000 ontvang ik graag een kopie van de getekende deposito overeenkomst alsmede de
voorwaarden van dit deposito;
26. Wanneer en door wie werd het deposito van EUR 1.000.000 opgeheven.
26. Kopieën van alle brieven waar naar wordt verwezen in de brief van 4 december 2006 (bijlage 7).
26. Wie voerde de opdracht uit om in 2006 en waarom om het deposito wat uitsluitend op [broer van appellant sub 1]
naam stond over te boeken op het en/of deposito?
29. In de roll over overeenkomsten van 6 februari 2005 van EUR 10.5000.000 en EUR 1.000.000
die [broer van appellant sub 1] tekende bij [landgoed 1] staat in artikel 13 dat [broer van appellant sub 1] iedere wijziging in de
eigendomsverhouding moet doorgeven. Op 22 mei 2006 werd ik enig aandeelhouder. Sinds
wanneer wist u dat ik enig aandeelhouder was van de aandelen van landgoed [landgoed 1] B.V. en
wie heeft dit gemeld aan u?
30. Wie voerde handmatig de opdracht uit van [broer van appellant sub 1] van 23 november 2009. Waarom werd
ik daarover niet gebeld, zoals u wel met [broer van appellant sub 1] belde als het ging over mijn
betalingsopdrachten ( bijlage 8 ).
Welke juridische grondslag gaf u de bevoegdheid om met [broer van appellant sub 1] te bellen alvorens mijn
betaalopdrachten van mijn eigen bankrekeningen uit te voeren? ( bijlage 9 ).
Graag wil ik weten welke interne procedure er gevolgd diende te worden volgens de brief van
mevrouw [V] van 3 december 2009. Van deze procedure wil ik een kopie ontvangen
( bijlage 10 ).
29. Mijn kredietdossiers, van landgoed [landgoed 2] , [landgoed 1] , [adres 1] , [naam woning]
( [adres 2] te [plaats B] ) en het weiland te [plaats B] en de
daarbij behorende adviesbrieven.
30. De taxatierapporten die zich bevinden in de kredietdossiers die mijn eigendom betreffen,
zoals het weiland, de woning [adres 2] , [plaats B] , [adres 1]
en de landgoederen [landgoed 1] en [landgoed 2] .
31. De gespreksverslagen over mijn vermogen die u, volgens uw eigen website, zeer regelmatig
voerde.
32. De door u verwerkte ‘compliance formulieren’. Uw informatie over mijn inkomen en mijn
vermogen.
33. De naam van de persoon die adviseerde rondom het krediet van 29 december 2009 waarbij ik
derdenzekerheid moest verstrekken voor de aankoop van mijn eigen woning als particulier.
34. Welke regels hanteerde u bij de verstrekking van het hypothecair krediet voor de eigen
woning bij mij?
35. Alle email correspondentie rondom de financiering van de uitkoop op 29 december 2009 voor
zover het betreft mijn eigendom, te weten: het weiland en mijn toekomstige eigen woning,
[adres 2] , [plaats B] ( bijlage 11 ). [broer van appellant sub 1] had geen volmacht om
namens mij te spreken met u. Graag een toelichting waarom de heer [P] toch uitsluitend
handelende met [broer van appellant sub 1] om over mijn zaken en bezittingen te spreken.
36. Wie binnen uw organisatie keurde de concept akten van de notaris goed van 29 december
2009 waar ik partij bij was. Graag een kopie van deze correspondentie en goedkeuring. Wie in
uw organisatie keurde de afrekening goed van de notaris van 29 december 2009.”
Bij brief van 30 maart 2018 heeft ABN AMRO het verzoek afgewezen.
Bij brief van 9 mei 2018 heeft [appellant sub 1] op grond van artikel 35 Wbp (oud) een informatieverzoek ingediend bij ABN AMRO. In deze brief is – voor zover van belang – het volgende geschreven:
“Op basis van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens verzoek ik binnen vier weken na
dagtekening van deze brief schriftelijk mij aan te geven of u mijn persoonsgegevens verwerkt wat
betreft de navolgende telefoonnummers, ik verzoek u mij een begrijpelijk overzicht te geven van
alle persoonsgegevens en gesprekken die ABN AMRO, met name de afdeling Private Wealth
Management van uw bank van mij heeft verwerkt.(...)
Complianceformulier uit 2016 (bijlage 1).
Op dit formulier staan de navolgede telefoonnummers vermeld bij mijn gegevens:
Tel: [prive nummer 1] (privé);
Tel: [zakelijk nummer] (zakelijk).
Ik wil graag een overzicht ontvangen van alle telefoongesprekken die de Bank voerde met deze
telefoonnummers alsmede een inhoudelijke weergave van deze gesprekken voor de periode 2000
tot en met heden.
De contactpersonen bij de Bank waren in ieder geval medewerkers van de afdeling PWM te
Amsterdam : [P] , [V] en [C] (achternaam onbekend). Zij hadden de
navolgende telefoonnummers:
[P] : [telefoonnr.1] en [telefoonnr.2]
[V] : [telefoonnr.3]
Ik wil graag transcripties hebben van in ieder geval:
- de gesprekken voorafgaand, tijdens en daarna over de overboeking van de deposito’s van EUR 25.000.000 op 23 december 2008, en het openbreken van de deposito’s, het terugboeken van deze
deposito’s en overig intern overleg met onder andere “ [C] ”;
- de gesprekken voorafgaand, tijdens en daarna van de overboeking op 23 november 2009 van de
deposito’s;
- de gesprekken rondom de ontvlechting van 2009, die waarschijnlijk gestart zijn met de
voorbereiding van de doorhaling van de oude hypotheken in maart 2009 tot en met de doorhaling
volmacht van de hypotheek van de [adres 1] in januari 2010;
- de gesprekken in 2010 over de doorhaling van de derdenzekerheid op de woning [naam woning] ,
welke doorhaling uiteindelijk in januari 2011 plaatsvond.
Sinds in ieder geval mei 2009 was de Bank op de hoogte van mijn privé mobiele nummer: [mobiel nummer 1]
alsmede mijn privé correspondentieadres ( bijlage 2 ). Ik wil graag een overzicht waaruit
blijkt dat deze gegevens zijn verwerkt in uw systemen alsmede een overzicht van de gesprekken die
werden gevoerd tussen de Bank en dit nummer.
Namens [appellante sub 2] verzoek ik u op grond van artikel 35 Wbp een overzicht te
verstrekken van de gesprekken die zij voerde met PWM via haar mobiele nummer [mobiel nummer 2] ,
haar werknummer [werknummer] en haar privé nummer te [plaats A] : [prive nummer 2] in de jaren
2009 en 2010.
Het gaat daarbij vooral om de gesprekken met [V] in het voorjaar van 2009 over de
tenaamstelling van de en/of rekening van [appellant sub 1] en [broer van appellant sub 1] en het toevoegen van een
correspondentie adres/duplicaatadres.”
ABN AMRO heeft dit verzoek bij brief van 6 juni 2018 afgewezen.
[appellante sub 2] heeft ABN AMRO bij brief van 15 mei 2018 op grond van artikel 35 Wbp (oud) verzocht informatie te verstrekken. In deze brief staat – voor zover van belang – het volgende:
“Met verwijzing naar artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens wil ik graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief schriftelijk van u weten of de ABN AMRO Bank N.V. mijn persoonsgegevens verwerkt. Zo ja: wilt u mij dan een begrijpelijk overzicht geven van alle persoonsgegevens die de ABN AMRO Bank N.V. van mij verwerkt en hierbij aangeven:
Om welke gegevens het gaat;
Wat het doel is of de doelen zijn van de verwerking;
Aan welke personen, bedrijven en/of andere organisaties deze gegevens zijn of zullen worden verstrekt;
Waar mijn gegevens vandaan komen (informatie over de herkomst).”
Naar aanleiding van dit verzoek heeft ABN AMRO [appellante sub 2] een USB-stick met gegevens verstrekt. [appellante sub 2] heeft aanvullende vragen gesteld bij e-mail van 29 juni 2018. Bij brief van 30 augustus 2018 heeft ABN AMRO op (onder meer) deze vragen gereageerd.