Gerechtshof Amsterdam, 03-02-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:903, 23-000861-19
Gerechtshof Amsterdam, 03-02-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:903, 23-000861-19
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 februari 2020
- Datum publicatie
- 23 maart 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2020:903
- Zaaknummer
- 23-000861-19
Inhoudsindicatie
Bevestiging muv de straf en beslissing vordering benadeelde partij. Bespreking vordering benadeelde partij, materiele en immateriele schade en proceskosten.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000861-19
datum uitspraak: 3 februari 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 05-215647-17 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde] – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de verwijzing naar het onder 6 weergegeven bewijsmiddel als volgt aanvult:
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een verklaring van [naam 1], arts-assistent SEH en [naam 2], chirurg, d.d. 29 oktober 2017.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis.
De raadsman heeft betoogd de straf zoals opgelegd door de politierechter te bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling, waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer [benadeelde]. De verdachte heeft het slachtoffer meermaals tegen het hoofd geslagen. De verdachte heeft hierdoor een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft het slachtoffer ernstig (blijvend) letsel toegebracht. Het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in het verkeer op de openbare weg, rekent het hof de verdachte aan. Dit soort geweld roept niet alleen bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid en angst op maar ook bij omstanders die er getuigen van zijn.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.