Home

Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:907, 200.268.738/01 OK

Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:907, 200.268.738/01 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
3 maart 2020
Datum publicatie
23 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2020:907
Zaaknummer
200.268.738/01 OK

Inhoudsindicatie

afwijzing enqueteverzoek

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.268.738/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 3 maart 2020

inzake

1. de in staat van faillissement verkerende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VICTORY AND DREAMS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de in staat van faillissement verkerende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIDREA RETAIL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTERS,

advocaat: mr. J.P.P. Latour, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de in staat van faillissement verkerende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VICTORY AND DREAMS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de in staat van faillissement verkerende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIDREA RETAIL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

1 mr. H. DULACK,

2. mr. M.J. COOLS,

beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van verweersters 1 en 2,

beiden domicilie kiezende te Utrecht,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. C.R. Huiskes, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

-

verzoeksters 1 en 2 met VDH en Vidrea Retail; en

-

mr. H. Dulack en mr. M.J. Cools afzonderlijk met mr. Dulack en mr. Cools en gezamenlijk met de curatoren;

1.2

Vidrea Retail en VDH hebben op 6 november 2019 een gezamenlijk verzoekschrift met producties bij de Ondernemingskamer ingediend.

Vidrea Retail heeft de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

  1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij Vidrea Retail vanaf het moment van surseance van betaling van Vidrea Retail;

  2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. “de bestuurders zijnde de curatoren” van Vidrea Retail te schorsen;

b. een onafhankelijke curator te benoemen bij Vidrea Retail;

c. een accountant aan te wijzen met de opdracht om een onderzoek uit te voeren naar bepaalde in het verzoekschrift genoemde onderwerpen;

d. althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht;

met veroordeling van Vidrea Retail in de kosten van het geding.

VDH heeft de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

  1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij VDH vanaf het moment van faillietverklaring van VDH;

  2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. “de bestuurders zijnde de curatoren” van VDH te schorsen;

b. een onafhankelijke curator te benoemen bij VDH;

c. een accountant aan te wijzen met de opdracht om een onderzoek uit te voeren naar bepaalde in het verzoekschrift genoemde onderwerpen;

d. althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht,

met veroordeling van VDH in de kosten van het geding.

1.3

Bij op 19 december 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties hebben de curatoren geconcludeerd dat de Ondernemingskamer VDH en Vidrea Retail niet ontvankelijk verklaart in hun verzoeken, dan wel hun verzoeken afwijst, telkens met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van VDH en Vidrea Retail in de kosten van de procedure.

1.4

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 9 januari 2020. Het verzoek van VDH en Vidrea Retail van 8 januari 2020 om de behandeling met gesloten deuren te laten plaatsvinden is door de Ondernemingskamer afgewezen. Daartoe heeft de Ondernemingskamer overwogen dat, gelet op het grote belang van openbaarheid van rechtspraak, bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [A] (hierna: [A] ), (voormalig) indirect bestuurder van VDH en Vidrea Retail, het sluiten van de deuren niet rechtvaardigt, mede in aanmerking genomen dat [A] slechts in zijn professionele hoedanigheid van indirect bestuurder en aandeelhouder een rol speelt in deze zaak. De advocaten hebben vervolgens de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht, aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

2.1

VDH is op 7 april 2016 opgericht. Enig bestuurder van VDH is Mortenson Holding B.V. (hierna: Mortenson Holding). VDH fungeert althans fungeerde als holdingvennootschap van bedrijven in de kledingsector en houdt 99,99 % van de aandelen in Vidrea Retail. [A] houdt de resterende 0,01% van de aandelen. VDH heeft Vidrea Retail gefinancierd als inkooporganisatie van kleding. Witteveen Retail B.V. (verder: Witteveen) is een zustervennootschap van Vidrea Retail.

2.2

Vidrea Retail is op 7 maart 2017 opgericht. Tot 26 november 2019 (zie hierna r.o. 2.31) was Mortenson Holding enig bestuurder van Vidrea Retail. Vidrea Retail drijft althans dreef een kleding- en lifestyle keten onder de handelsnaam “Miller & Monroe”.

2.3

[A] en Nesia Holding B.V. zijn bestuurders van Mortenson Holding.

2.4

Vidrea Buying B.V. (verder: Vidrea Buying) is op 12 maart 2019 opgericht als nieuwe inkooporganisatie in verband met financiële problemen binnen het concern waartoe ook Vidrea Retail behoort. Vidrea Buying heeft de rol van Vidrea Retail als inkooporganisatie overgenomen en heeft kort voor en tijdens de voorlopige surseance van betaling van Vidrea Retail (zie hierna r.o 2.5 en verder) aan laatstgenoemde kleding geleverd.

2.5

Op 15 april 2019 is aan Vidrea Retail voorlopige surseance van betaling verleend met aanstelling van mr. Cools als bewindvoerder (hierna ook: de bewindvoerder).

2.6

De bewindvoerder heeft op 16 april 2019 de rechtbank Midden-Nederland op de voet van artikel 242 Faillissementswet verzocht de surseance in te trekken en Vidrea Retail in staat van faillissement te verklaren. Bij e-mail van 16 april 2019 heeft de bewindvoerder aan [A] onder meer geschreven:

Door deze bevestig ik mijn mededeling van vanmiddag in aanwezigheid van uw adviseurs, (...), dat de rechtbank Utrecht op mijn verzoek a.s. vrijdag 19 april om 11:00 uur een zitting heeft bepaald voor de behandeling van het verzoek tot omzetting van de voorlopig aan Vidrea Retail B.V. verleende surseance van betaling in een faillissement.

Ik licht de aanleiding daarvoor nog eens toe, ditmaal schriftelijk.

Op basis van de gisteren en vandaag uitgewisselde gegevens, deels onderbouwd met stukken, zie ik een precaire situatie waarin enerzijds diverse partijen contractuele zekerheden hebben (EVB of wettelijke voorrang) en/of aan partijen zekerheden (1e, 2e en 3e pandrechten) zijn verstrekt en anderzijds niet voldoende vrije activa zijn waarmee de continuering van een ongestoorde bedrijfsvoering kan worden verzekerd.

Ik heb een zeer uitvoerige toelichting van u gekregen van de toedracht, waarvoor ik u erkentelijk ben.

Ik heb nog geen sluitende exploitatie- en liquiditeitsbegroting ontvangen.

Hieraan wordt op dit moment hard gewerkt.

Die begroting is van de hoogste prioriteit.

Er is immers een aanmerkelijke lijst van (72) verhuurders, personeelsleden en leveranciers die u en mij erop aanspreken wanneer niet kan worden zekergesteld dat lopende verplichtingen worden nagekomen.

Ik zie – als toegelicht – drie alternatieven:

1. ofwel wij komen op basis van de nog te ontvangen liquiditeitsprognose beide tot de conclusie dat de lopende verplichtingen kunnen worden nagekomen uit de bedrijfsvoering;

2. ofwel wij komen beide tot de conclusie dat dat niet het geval is;

3. ofwel wij verschillen van mening, d.w.z. u meent dat de lopende verplichtingen kunnen worden nagekomen en ik meen dat dat niet het geval is.

In geval 1. trek ik mijn verzoek voor de zitting in.

In geval 2. verzoeken wij gezamenlijk om de voorlopig verleende surseance in te trekken en het faillissement uit te spreken. Wanneer wij beide een omzettingsverzoek ondertekenen kan de zitting worden ingetrokken en wordt het faillissement van de vennootschap uitgesproken.

In geval 3. leggen wij onze wederzijdse standpunten voor aan de rechtbank en vragen we aan de rechtbank om te beslissen.

Ik sta open voor een vervolg van de voorlopig verleende surseance, mits die met voldoende concrete waarborgen is omkleed.”

2.7

Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden tussen de bewindvoerder, [A] en ABN Amro. Daarbij is overeenstemming bereikt die onder meer inhield dat de surseance zal worden voortgezet en dat het liquiditeitstekort van de voort te zetten exploitatie wordt afgedekt door een ‘garantiesom’ van € 750.000 verstrekt door VDH. De bewindvoerder heeft haar verzoek strekkende tot intrekking van de surseance van betaling en tot gelijktijdige faillietverklaring van Vidrea Retail (zie 2.6) ingetrokken.

2.8

Op 26 april 2019 heeft de bewindvoerder opnieuw een verzoek strekkende tot intrekking van de surseance en tot faillietverklaring van Vidrea Retail ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De brief van de bewindvoerder aan de rechtbank Midden-Nederland vermeldt onder meer:

“Met instemming van de pandhouder ABN AMRO (1e pandrecht) en op basis van een liquiditeitsprognose is op 18 april jl. besloten de bedrijfsvoering gecontroleerd te vervolgen om erger te voorkomen en om de kans van slagen van een definitief te verlenen surseance te kunnen inschatten, mits onder het verstrekken van voorraad- en salesgegevens en onder begeleiding door het Nederlands Taxatie en Adviesbureau (hierna: “Ntab”).

De toen besproken liquiditeitsprognose liet een gat zien in week 18 (vanaf 29 april a.s.). Tot waarborg dat ook dan de lopende verplichtingen kunnen worden voldaan stelde Vidrea Holding B.V (hierna: “Holding’) een achtergestelde lening ter beschikking van € 750.000,-. Het bedrag werd direct op de derdenrekening van mijn kantoor gestort.

Sindsdien zijn wij een week verder en ben ik tot de conclusie gekomen dat

1. er geen vooruitzicht bestaat dat Vidrea op den duur haar schuldeisers zal kunnen bevredigen;

2. het houden van toezicht op de dagelijkse gang van zaken teneinde de belangen van de schuldeisers veilig te stellen niet mogelijk is, omdat de voorraadbeheersing niet op orde is en ik niet ervoor kan instaan dat rechten van derden kunnen worden gerespecteerd;

3. de liquiditeitsprognose zodanig krap is bemeten dat voor onvoorziene tegenvallers in de kosten geen ruimte is, terwijl die tegenvallers er wel zijn én te voorzien zijn, bovendien. De liquiditeitsprognose geeft niet het comfort dat die volledig is waardoor er achter feiten wordt aangelopen en die continue moet worden bijgesteld;

4. De bedrijfsvoering niet op eigen kracht verder kan, maar is aangewezen op de financiering door de Holding, waardoor er nog meer schulden ontstaan, ook al is de Holding bereid haar vorderingen achter te stellen.”

2.9

Op 1 mei 2019 heeft [A] onder meer aan de bewindvoerder geschreven:

"Wij hebben in de aanwezigheid van velen afspraken gemaakt om een zo succesvolle voorlopige surseance te bereiken. Onderdeel hiervan is dat de winkels nieuwe kleding aangeleverd krijgen. Dit is noodzakelijk nu er al maanden geen nieuwe kleding geleverd is. Daarnaast zal ook personeel zien dat de onderneming verder gaat. Ik heb een derde bereid gevonden dit commerciële risico te dragen zonder enige winstopslag. Ook in jouw aanwezigheid heeft de bank aangegeven dit belangrijk te vinden nu enkel in een running concern er een maximale opbrengst van goederen te bereiken, hetgeen in belang van de boedel en pandhouders is. (...) Ik heb toegezegd alle inkopen te overleggen zodat er geen sprake kan zijn van enige winst bij een derde."

2.10

Nederlands Taxatie- en Adviesbureau B.V. (hierna: NTAB) heeft in opdracht van de bewindvoerder en ABN AMRO Bank onderzoek gedaan naar de voorraadpositie van Vidrea Retail. Bij brief van 1 mei 2019 heeft NTAB aan de bewindvoerder en ABN AMRO Bank onder meer het volgende geschreven:

“Het is thans niet mogelijk op basis van de beschikbare gegevens om een correcte voorraadpositie – op artikel- en leveranciersniveau – per 15 april jl. vast te stellen. Het is derhalve ook niet mogelijk om de voorraadbewegingen vanaf die datum te kunnen registreren. (...) Wij menen derhalve dat zo snel als mogelijk een inventarisatie moet worden gemaakt van de volledige voorraad op alle locaties, zodat een helder beeld kan worden gegeven van de voorraad. Thans is niet duidelijk hoeveel voorraad er nu daadwerkelijk is en wie daar mogelijk rechten op heeft.”

2.11

Bij e-mail van 2 mei 2019 heeft de bewindvoerder aan [A] onder meer bericht:

“Wellicht ben je vergeten dat je deze vraag zondag jl. ook stelde en ik daar – ook zondag – reeds op reageerde?

Ik schreef:...Vandaar dat ik je nu reeds laat weten dat ik niet zal meetekenen wanneer Retail afspraken maakt met Buying om nieuwe voorraad d.w.z waarvoor Buying nieuwe verplichtingen zou moeten aangaan in de winkels van Retail te hangen...

Mijn standpunt hierover is sindsdien niet gewijzigd. Zeker nu ik de rechtbank heb gevraagd om de surseance om te zetten in een faillissement kan niet worden meegewerkt aan het aangaan van nieuwe verplichtingen.

Diezelfde dag heeft de bewindvoerder aan [A] onder meer bericht:

"In reactie op je email kan ik alleen hierin meegaan onder de volgende, cumulatieve, condities:

1) er komt alleen voorraad in de winkels die aantoonbaar betaald is door Vidrea Buying BV.

2) Vidrea Buying levert in consignatie aan Retail BV en ontvangt alleen de nieuwe inkoopwaarde d.w.z. de oorspronkelijke inkoopwaarde minus de extra korting.

3) De vordering van Vidrea Buying terzake deze geleverde goederen is achtergesteld ten opzichte van andere boedelcrediteuren.

4) De kassasystemen moeten in staat zijn deze consignatieverkopen adequaat te registreren zodat we later geen discussie krijgen hierover.

5) Ntab moet instemmen met zijn rol van toezichthouder op deze verkopen. Wie draagt hiervan de kosten?

6) de bank moet instemmen omdat er nieuwe onverpande goederen worden ingebracht i.p.v. de verpande goederen die liggen bij [C] en in Veenendaal.

7) in geval van faillissement van Retail BV dient Buying op eerste verzoek van de curator van Retail de goederen kostenloos te verwijderen uit de winkels.

Omdat je in deze én de vorige mail refereert aan de medewerking en inspanningen van [B] , hoor ik ook graag zijn antwoord/reactie op deze mail."

2.12

Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek bedoeld onder r.o 2.6 op 8 mei 2019 zijn de bewindvoerder en Vidrea Retail (vertegenwoordigd door [A] ) tot afspraken gekomen die hebben geleid tot afwijzing van het verzoek, zodat de voorlopige surseance van Vidrea Retail is voortgezet. De afspraken zijn vastgelegd in de beschikking van 10 mei 2019 van de rechtbank Midden-Nederland. De beschikking vermeldt onder meer:

“2.4. Op dit moment is niet duidelijk wat de voorraadpositie van Vidrea Retail is. Niet kan worden vastgesteld voor welk deel van de voorraad de eigendom is voorbehouden door leveranciers en welk deel van de voorraad werd verpand aan ABN Amro Bank. De beëindiging van de surseance zal tot gevolg hebben dat de aanwezige voorraden veel minder zullen opbrengen voor de gezamenlijke schuldeisers. Daarbij zal een faillissement naar verwachting het verlies van werkgelegenheid betekenen. Op basis van de ter zitting gewisselde liquiditeitsbegrotingen en het resultaat van de exploitatie vanaf verlening van de surseance tot heden, is voldoende aannemelijk dat in ieder geval de komende weken van een positieve exploitatie sprake is. Het is op dit moment onvoldoende aannemelijk geworden dat groepen van schuldeisers zullen worden benadeeld door een voortzetting van de surseance gedurende nog enkele weken. De bewindvoerder reserveert uit de exploitatie de inkoopwaarde van de verkopen, zodat leveranciers met een mogelijk eigendomsvoorbehoud kunnen worden gecompenseerd. Met ABN Amro Bank werd een regeling getroffen op basis waarvan zij met voortzetting heeft ingestemd. Indien de van de zijde van Vidrea Retail ingebrachte cijfers kloppen, bestaat daarnaast het vooruitzicht dat aan de schuldeisers van Vidrea Retail een akkoord kan worden aangeboden.

2.5.

De bewindvoerder en Vidrea Retail hebben gezamenlijk voorwaarden geformuleerd ter beveiliging van de belangen van schuldeisers. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in de faxbrief van 9 mei 2019. Andere door de bewindvoerder aangevoerde gronden voor beëindiging van de surseance worden in deze voorwaarden ondervangen en kunnen - nu de bewindvoerder daarmee heeft ingestemd - onbesproken blijven. Op basis van de nu tussen partijen geformuleerde voorwaarden, geldt dat nog enige tijd beschikbaar is om de voorraad te tellen en de verschillende liquiditeitsbegrotingen te laten valideren. Verder is in de voorwaarden voorzien in de aanstelling van een extra bestuurder, zodat de vertrouwensrelatie tussen de bewindvoerder en ABN Amro Bank mogelijk kan worden hersteld.

2.6

Gelet op al het voorgaande, is het wenselijk de surseance te handhaven. Het verzoek van de bewindvoerder wordt afgewezen.

(....)

3.1

wijst het verzoek af;

3.2.

bepaalt, ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers het volgende:

3.2.1.

De voorraden in alle M&M -winkels en in de magazijnen te Veenendaal, Waalwijk en Nijmegen ( [C] ) worden handmatig door het winkelpersoneel geteld aan de hand van door NTAB aan te reiken instructies en lijsten, op maandag 13 mei. NTAB houdt toezicht. Voor de duur van deze inventarisatie worden de winkels gesloten.

3.2.2.

Een accountant (van een van de grote vijf) zal de liquiditeitsprognose tot 9 juli valideren d.w.z. controleren op juistheid en/of aanpassen waar dit op basis van diens inzichten noodzakelijk is. Hij zal voorts een boedeladministratie opstellen/bijhouden, zodat duidelijk is wat er tijdens de surseanceperiode tot aan 9 juli in de onderneming gebeurt. De bevindingen van de accountant worden uiterlijk op vrijdag 17 mei 2019 18:00 uur met de bewindvoerder gedeeld.

a. Voor zover er uit de controle van de accountant blijk van een liquiditeitstekort dat de garantiesom van € 750.000,- (zevenhonderdvijftigduizend euro) overstijgt, zal [VDH] dit binnen een werkdag moeten aanvullen. Indien [VDH] dit niet doet zal opnieuw om omzetting worden verzocht.

b. De kosten van de accountant dienen te worden meegenomen in de liquiditeitsprognose.

3.2.3.

[B] zal als additionele bestuurder van [Vidrea Retail] worden benoemd.

3.2.4.

Er zullen via [Vidrea Buying] op consignatiebasis goederen in de winkels van [Vidrea Retail] worden geplaatst.

a. [Vidrea Buying] koopt voor maximaal € 500.000,- (vijfhonderdduizend euro) per week in, en zal ofwel (i) haar leveranciers direct volledig betalen ofwel (ii) haar leveranciers, [Vidrea Retail] en de bewindvoerder volledig laten vrijwaren tegen welke aanspraak dan ook van die leverancier uit hoofde van de leveranties aan [Vidrea Buying]

b. [Vidrea Buying] zal geen winst/marge behalen op de inkoop en doorlevering van de goederen op consignatiebasis.

c. De vorderingen van [Vidrea Buying] op [Vidrea Retail] zullen op wekelijkse basis worden achtergesteld ten opzichte van alle andere vorderingen in de surseance.

d. In geval van een faillissement van [Vidrea Retail] zal [Vidrea Buying] de consignatiegoederen op eerste verzoek kosteloos uit de winkels komen ophalen.

3.2.5. [

[Vidrea Retail] staat ervoor in dat de kassasystemen in staat zijn deze consignatieverkopen adequaat apart te registreren.”

2.13

Op 13 mei 2019 heeft een telling plaatsgevonden van de voorraden van Vidrea Retail door NTAB. Vidrea Retail heeft een opdracht gegeven aan Deloitte als bedoeld in r.o. 3.2.2 van de hierboven geciteerde beschikking. Deloitte heeft onder meer op 23 mei, 12 juni en 18 juni 2019 conceptrapportages afgegeven met betrekking tot de exploitatie en de liquiditeitspositie van Vidrea Retail.

2.14

Op 21 mei 2019 heeft [C] een verzoek strekkende tot omzetting van de surseance onder gelijktijdige faillietverklaring van Vidrea Retail bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend.

2.15

Bij e-mail van 6 juni 2019 heeft NTAB aan de bewindvoerder onder meer bericht:

“Samenvattend kunnen wij u mededelen dat wij aan uw verzoek en dat van de bank, om onder meer de voorraadbewegingen en daarmee samenhangende rechten van derden te monitoren, nog steeds niet kunnen voldoen. Vragen van leveranciers, die we via u doorgespeeld krijgen, kunnen we dan ook niet beantwoorden. Wij vragen ons af of er op deze wijze een boedeladministratie is te voeren en dus verantwoording is af te leggen aan crediteuren, nu de uitgangspunten ten aanzien van o.a. de voorraden en de verplichtingen nog steeds diffuus zijn en daarop geen heldere antwoorden komen van de onderneming."

2.16

Bij e-mail van 17 juni 2019 heeft de bewindvoerder aan [A] geschreven:

“A.s. woensdag om 10:00 uur dient voor de rechtbank Utrecht het verzoek van [C] om de surseance om te zetten in een faillissement.

Door deze bericht ik dat ik daar niet alleen zal verschijnen om mijn advies daarover te geven, maar ook een zelfstandig verzoek tot omzetting zal doen. Op dit moment leg ik aan dat zelfstandige verzoek de laatste hand. Zodra het gereed is zal ik het toesturen.

2.17

Op 17 juni 2019 heeft de bewindvoerder een verzoek tot beëindiging van de surseance onder gelijktijdige faillietverklaring van Vidrea Retail ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De bewindvoerder heeft gesteld dat Vidrea Retail zich niet heeft gehouden aan de bepalingen uit de beschikking van 10 mei 2019 (het liquiditeitstekort is niet aangevuld en [B] is niet aangesteld als bestuurder) en dat handhaving van de surseance niet wenselijk is. De toelichting op het verzoek vermeldt onder meer dat de voorraadpositie nog steeds niet duidelijk is, dat de exploitatie verlieslatend is en dat aannemelijk is dat schuldeisers benadeeld worden door de status quo.

2.18

Op 19 juni 2019 heeft [A] een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder dan wel de benoeming van een tweede bewindvoerder bij Vidrea Retail bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend. Diezelfde dag heeft de rechtbank Midden-Nederland mr. Dulack als tweede bewindvoerder benoemd (hierna worden mr. Dulack en mr. Cools gezamenlijk ook aangeduid met de bewindvoerders).

2.19

Op 25 juni 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland de voorlopige surseance ingetrokken en Vidrea Retail in staat van faillissement verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat Vidrea Retail zich niet gehouden heeft, of zich niet heeft kunnen houden, aan de bepalingen van de beschikking van 10 mei 2019; de additionele bestuurder ( [B] ) is niet benoemd, onduidelijk is op welk deel van de voorraad een eigendomsvoorbehoud rust en de fysieke voorraad wijkt af van de administratie, waardoor het niet mogelijk is om een boedeladministratie te voeren. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verdere voortzetting van de surseance niet verantwoord is, omdat daarvan een benadeling van de schuldeisers het gevolg is. Mr. Dulack en mr. Cools zijn aangesteld als curatoren.

Vidrea Retail heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, maar heeft dat beroep vervolgens ingetrokken.

2.20

Eveneens op 25 juni 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland in het faillissement van Vidrea Retail op verzoek van de curatoren een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 63a Faillissementswet gelast.

2.21

Op 1 juli 2019 heeft [A] via Mortenson Holding althans een nieuw op te richten vennootschap een bod gedaan op de onderneming van Vidrea Retail. Het bod is op 11 juli 2019 herhaald. De curatoren zijn niet op dit bod ingegaan.

2.22

De curatoren hebben de winkels van Vidrea Retail met ingang van 1 augustus 2019 gesloten.

2.23

Op 8 augustus 2019 hebben (onder meer) de curatoren van Vidrea Retail een verzoek tot faillietverklaring van VDH ingediend bij de rechtbank Amsterdam.

2.24

Bij beschikking van 15 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam een verzoek van de curatoren van Vidrea Retail van 12 juli 2019 tot faillietverklaring van Witteveen afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank (net) niet summierlijk gebleken is van een vorderingsrecht van Vidrea Retail op Witteveen.

2.25

Op 4 september 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland een verzoek van Vidrea Retail en Vidrea Buying tot ontslag van de curatoren van Vidrea Retail behandeld. In die procedure heeft de rechter-commissaris, gehoord op de voet van art. 65 Faillissementswet, op 22 augustus 2019 een schriftelijke verklaring ingediend, onder meer inhoudende:

“Verzoekers hebben betoogd dat de curatoren ten onrechte niet hebben gereageerd op het bod van de heer [A] op (een deel van de) activa uit de boedel van Vidrea Retail en dat hen ook wat dit betreft een verwijt is te maken. Ik ben het daar niet mee eens. Uit de berichten van de curatoren over de afwikkeling van dit faillissement is mij voldoende gebleken dat thans niet het moment is om over de verkoop van (delen van) activa te beslissen. (...) Mij is duidelijk geworden dat curatoren meermaals zijn belemmerd om hun werkzaamheden uit te voeren door toedoen van de bestuurder. Mijn conclusie is dan ook dat de curatoren hebben gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curatoren, gelet op de omstandigheden. Het gebrek aan medewerking van de bestuurder staat in dit geval een voortvarende afwikkeling van het faillissement in de weg. Ik adviseer het verzoek tot ontslag van de curatoren af te wijzen.”

2.26

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 september 2019 is het ontslagverzoek van Vidrea Retail en Vidrea Buying (r.o. 2.25) afgewezen. De beschikking vermeldt onder meer:

“De conclusie op basis van het voorgaande is dat aan de Curatoren geen verwijt kan worden gemaakt betreffende de afwikkeling van het faillissement. Curatoren hebben zich tot op heden voldoende van hun wettelijke taak gekweten. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat Curatoren in staat zijn dit faillissement ook in de toekomst behoorlijk af te wikkelen.

Tegen deze beschikking is cassatieberoep ingesteld door Vidrea Retail en VDH.

2.27

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2019 is VDH in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. Cools en mr. Dulack als curatoren in dat faillissement.

2.28

Bij brief van 1 oktober 2019 heeft mr. Latour namens Mortenson Holding, VDH en Vidrea Retail aan de curatoren bezwaren kenbaar gemaakt tegen het beleid en de gang van zaken van VDH en Vidrea Retail. Zij hebben bezwaren tegen de wijze waarop met hen en de overige stakeholders is omgegaan tijdens de surseance van Vidrea Retail. Volgens hen handelen mr. Cools en mr. Dulack in hun hoedanigheid van bewindvoerder van Vidrea Retail c.q. in hun hoedanigheid van curatoren van Vidrea Retail respectievelijk VDH niet in het belang van de schuldeisers en houden zij geen rekening met gerechtvaardigde belangen van derden, waaronder Vidrea Buying. Zij hebben de curatoren gesommeerd alle medewerking te verlenen (i) aan het laten uitvoeren van een onderzoek door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen accountant die als opdracht onder meer zal meekrijgen het in kaart brengen van alle rekeningcourantverhoudingen tussen onder meer Vidrea Retail en VDH, en (ii) aan het verzoek tot uitstel ter zake het hoger beroep tegen de faillietverklaring van Wittenveen. Verder hebben zij de curatoren gesommeerd niet zonder toestemming van Mortenson Holding, VDH en Vidrea Retail de voorraad en de merkrechten van VDH te verkopen. De brief vermeldt voorts dat bij niet of niet volledige voldoening aan de sommaties Mortenson Holding, VDH en Vidrea Retail een enquêteverzoek zullen doen.

2.29

Op 4 oktober 2019 heeft VDH hoger beroep tegen het vonnis bedoeld onder r.o 2.27 ingesteld. Bij arrest van 22 november 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest vermeldt onder meer:

“2.5 (...) Het vorenoverwogenene leidt ertoe dat summierlijk is gebleken van een vordering van [Vidrea Retail] op VDH van ongeveer € 1.896.527,50. Dit is de hierboven vooropgestelde vordering van € 2.500.000,- minus de tegenvordering van VDH van € 603.427,50 uit hoofde van de rekening-courant verhouding eind juni 2019 zoals die is gebleken uit de door de curatoren aangetroffen administratie. (...)

2.6

Tevens is summierlijk gebleken van steunvorderingen op VDH (...)

2.7 (...)

Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat VDH een houdstermaatschappij betreft en zelf (geen) commerciële activiteiten verricht waarmee zij inkomsten genereert om op de schulden te kunnen afbetalen, is ook in hoger beroep summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden welke aantonen dat VDH verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

2.8

VDH heeft het hof verzocht, voor het geval haar faillissement in stand blijft, andere curatoren aan te stellen vanwege tegenstrijdige belangen. Dit verzoek wordt afgewezen. Van zodanige tegenstrijdige belangen die ertoe nopen dat mrs. Cools en Dulack niet als curatoren in het faillissement van VDH kunnen optreden, is niet gebleken. (...)

2.9

Anders dan VDH heeft betoogd, is niet gebleken dat curatoren misbruik maken van hun bevoegdheid door het faillissement van VDH aan te vragen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de curatoren in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Vidrea er belang bij hebben en gerechtigd zijn het faillissement van VDH aan te vragen.

Tegen dit arrest heeft VDH cassatieberoep ingesteld.

2.30

Op 26 november 2019 is aan Witteveen voorlopige surseance van betaling verleend. Mr. J.M. Molkenboer is aangesteld als bewindvoerder.

2.31

Tijdens de aandeelhoudersvergadering van Vidrea Retail op 26 november 2019 is het besluit genomen tot ontslag van Mortenson Holding als bestuurder van Vidrea Retail.

2.32

Op 28 november 2019 is Witteveen in staat van faillissement verklaard en is mr. Molkenboer aangesteld als curator .

3 De gronden van de beslissing

4 De beslissing