Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:908, 200.265.859/02 OK
Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:908, 200.265.859/02 OK
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 maart 2020
- Datum publicatie
- 23 maart 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2020:908
- Zaaknummer
- 200.265.859/02 OK
Inhoudsindicatie
Ondernemingskamer; enquêteprocedure; nadere onmiddellijke voorzieningen getroffen
Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.265.859/02 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2020
inzake
1 [A] ,
wonende te [....] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. M.C. van Rijswijk, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[C] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. J. van Bekkum, kantoorhoudende te Amsterdam, en mr. A.H.M. Smits, kantoorhoudende te Rosmalen,
e n t e g e n
Mr P.R. DEKKER in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder van [C] ,
kantoorhoudende te Rosmalen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. J. van Bekkum, kantoorhoudende te Amsterdam, en mr. A.H.M. Smits, kantoorhoudende te Rosmalen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[D] ,
gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. J.E. Stam, kantoorhoudende te Naarden.
1 Het verloop van het geding
In het vervolg zullen partijen en andere personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- [B] als [B] ;
- [A] als [A] ;
- [B] en [A] tezamen als [A] c.s.
- [C] als [C] ;
- mr. P.R. Dekker als Dekker;
- [D] als [D] ;
- [E] als [E] ;
- [D] en [E] tezamen als [E] c.s.
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 20 en 23 september 2019 en van 12 en 13 november 2019.
Bij de beschikkingen van 20 en 23 september 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang –
1. een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [C] met aanhouding van de aanwijzing van de onderzoeker;
2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding:
a. [D] en [B] geschorst als bestuurders van [C] ;
b. mr. B.M.A. van Hussen (hierna: Van Hussen) benoemd tot zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van [C] ;
c. de gewone aandelen in [C] ten titel van beheer overgedragen aan een nader aan te wijzen beheerder.
Bij de beschikking van 12 november 2019 heeft de Ondernemingskamer kort gezegd Van Hussen ontheven als bestuurder en Dekker aangewezen als bestuurder van [C] , alsmede bepaald dat het [A] verboden is op het bedrijfsterrein van de onderneming aanwezig te zijn op straffe van een dwangsom indien en nadat hem schriftelijk de toegang is ontzegd door Dekker. Bij beschikking van 13 november 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.G. Molenaar (hierna: Molenaar) aangewezen als beheerder van de aandelen.
Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 10 februari 2020, hebben [A] c.s. de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
-
Het reeds bevolen onderzoek zo spoedig mogelijk te laten uitvoeren, daartoe een onderzoeker aan te wijzen en te bepalen dat het onderzoek betrekking heeft op de in het verzoekschrift genoemde bezwaren over de periode vanaf 1 januari 2018;
-
Dekker te ontslaan als bestuurder en in zijn plaats een andere bestuurder te benoemen;
-
primair: Dekker, dan wel de te benoemen nieuwe bestuurder op straffe van een dwangsom te gebieden:
(i) [A] c.s. toe te laten tot het verkoopproces van [C] en aan [A] c.s. alle informatie te verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben in het kader van een overname;
(ii) [E] en [A] op gelijke wijze te informeren en beiden toe te staan om de OK- bestuurder te adviseren over de bedrijfsvoering;
(iii) aan derden te berichten dat [A] niet is uitgesloten als bestuurder, aandeelhouder of overnemende partij;
(iv) in de (concept) jaarcijfers 2019 de correctie op de voorraad juist te verwerken;
(v) de ontbinding van de managementovereenkomst met [B] ongedaan te maken en de management fee alsnog te voldoen;
(vi) het merk Meestersap weer te voeren en in onderhandeling te treden met de houder van dit merk over een licentievergoeding;
(vii) de kosten van de OK-bestuurder en van andere adviseurs van [C] niet langer in de rekening-courant tussen [C] en [A] c.s. te boeken;
(viii) de opdracht aan Van Hussen en/of haar kantoorgenoten in te trekken;
subsidiair: Dekker, dan wel de te benoemen nieuwe bestuurder, te belasten met de volgende taken:
(i) zo spoedig mogelijk de onderneming via een aandelentransactie, althans een activatransactie te verkopen;
(ii) een level playing field te creëren en [A] c.s. op dezelfde wijze te behandelen als andere overnamekandidaten;
(iii) [A] c.s. toe te laten tot het verkoopproces van [C] en aan [A] c.s. alle informatie te verschaffen die zij redelijkerwijze nodig hebben in het kader van een overname;
(iv) [E] en [A] op gelijke wijze te informeren en beiden toe te staan om de door de Ondernemingskamer te benoemen tijdelijk bestuurder OK- bestuurder te adviseren over de bedrijfsvoering;
(v) aan derden te berichten dat [A] niet is uitgesloten als bestuurder, aandeelhouder of overnemende partij;
(vi) in de (concept) jaarcijfers 2019 de correctie op de voorraad juist te verwerken;
(vii) de ontbinding van de managementovereenkomst met [B] opnieuw te beoordelen, althans tot aan de verkoop van de onderneming de management fee aan [B] door te betalen;
(viii) zo mogelijk het merk Meestersap weer te voeren en in onderhandeling te treden met de houder van dit merk over een licentievergoeding;
(ix) de kosten van de OK-bestuurder en van andere adviseurs van [C] niet langer in de rekening-courant tussen [C] en [B] c.s. te boeken;
(x) de opdracht aan Van Hussen en/of haar kantoorgenoten in te trekken;
althans zodanige andere onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig oordeelt;
Dekker, althans [C] te veroordelen in de kosten van het geding.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 25 februari 2020, heeft [D] geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [A] c.s. met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 26 februari 2020, hebben [C] en Dekker geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [A] c.s. met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding. [C] en Dekker hebben voorts bij wijze van zelfstandig tegenverzoek de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat
-
[B] en [D] voor de duur van de procedure geen recht hebben op enige (management) vergoeding tenzij de OK‐bestuurder anders bepaalt;
-
[A] c.s., al dan niet handelend via [B] en/of [F] , zich dienen te onthouden van handelingen die de verkoop en de overdracht van de activa van [C] en/of haar dochtervennootschappen kunnen frustreren;
-
[A] c.s., al dan niet handelend via [B] en/of [F] , moeten gehengen en gedogen dat zij zijn uitgesloten van deelname in het verkooptraject van de onderneming;
-
[A] c.s., al dan niet handelend via [B] en/of [F] , zich dienen te onthouden van elke uitlating of gedraging die moet worden aangemerkt als bedreigend of lasterlijk jegens mr. Dekker of door hem ingeschakelde hulppersonen;
-
[A] c.s. zich dienen te onthouden van het aantasten van de vrijwaring en garantie die zij op 13 november 2019 hebben ondertekend;
-
[C] de redelijke en in redelijkheid te maken en gemaakte kosten van verweer van Van Hussen en Dekker alsmede van Molenaar ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling betaalt en dat dit ook geldt voor de kosten van verweer tegen eventuele tuchtklachten en/of strafrechtelijke aangiften en te bepalen dat Dekker na afronding van de verkoop van de onderneming € 500.000 mag separeren uit de verkoopopbrengst en in escrow mag plaatsen ten behoeve van te maken kosten van verweer van de door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurders en beheerder van aandelen in civielrechtelijke, tuchtrechtelijke en strafrechtelijke zaken;
-
Dekker na verkoop van de onderneming iedere betaling aan [A] c.s. en [B] mag opschorten zolang zij niet de op 13 november 2019 ondertekende vrijwaring en garantie bevestigen;
-
[A] c.s. een dwangsom verbeuren bij overtreding van de onderdelen b tot en met e van het petitum;
-
althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht;
met veroordeling van [A] c.s., hoofdelijk, in de daadwerkelijke proceskosten van [C] .
De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 4 maart 2020. Bij die gelegenheid hebben de advocaten van partijen de standpunten toegelicht (mr. Van Rijswijk en mr. Van Bekkum aan de hand van pleitnotities), hebben [A] c.s. nadere producties in het geding gebracht en hebben mr. Van Rijswijk, mr. Van Bekkum en [F] zich uitgelaten over de vraag of laatstgenoemde aangemerkt kan worden als belanghebbende in deze procedure. De Ondernemingskamer heeft ter zitting beslist dat zij geen acht zal slaan op de nagekomen productie 42 van [A] c.s.; die productie is een door [A] en [F] opgesteld stuk van 40 pagina’s waarin wordt gereageerd op de inhoud van het verweerschrift en zelfstandig tegenverzoek van [C] en Dekker. De Ondernemingskamer heeft daartoe overwogen dat dit stuk in strijd met de goede procesorde is omdat aan [A] c.s. gelegenheid is geboden om voorafgaand aan de zitting bij verweerschrift, in te dienen door een advocaat, te reageren op het zelfstandig tegenverzoek van [C] en Dekker en zij van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt en voorts omdat de omvang en inhoud van het stuk zodanig is dat het niet als productie kan worden aangemerkt. Partijen en hun advocaten hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. R.O. van Hurck en K.A. Messelink hebben als vertegenwoordigers van ING Bank (hierna: ING), huisbankier van de onderneming, vragen beantwoord.
Overeenkomstig een ter zitting gemaakte procesafspraak hebben [C] en Dekker, met het oog op hun verzoek om [A] c.s. te veroordelen in de volledige proceskosten, bij e-mail van 5 maart 2020 opgave gedaan van die kosten met urenspecificatie. [A] c.s. hebben zich daarover bij e-mail van 12 maart 2020 uitgelaten. [D] heeft zich bij e-mail van 12 maart 2020 met betrekking tot de opgave van de kosten gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 10 maart 2020, hebben Dekker en “voor zover nodig” [C] de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
-
[A] c.s., al dan niet handelend via [B] en/of [F] , zich, op straffe van een dwangsom, dienen te onthouden van (i) het gebruik van het WhatsApp-account dat is gekoppeld aan telefoonnummer [XXX] , (ii) het gebruik van enige foto van Dekker of het beeldmerk van zijn advocatenkantoor en (iii) het zich op enigerlei wijze jegens derden uitgeven voor Dekker of een medewerker van zijn advocatenkantoor;
-
althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht;
met veroordeling van [A] c.s., hoofdelijk, in de daadwerkelijke proceskosten van [C] .
Bij verweerschrift met producties ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 13 maart 2020 hebben [A] c.s. geconcludeerd tot afwijzing van het in 1.10 weergegeven verzoek en, bij wijze van tegenverzoek, de Ondernemingskamer verzocht om bij wijze van aanvullende onmiddellijke voorziening [C] , Dekker en [D] op straffe van een dwangsom te verbieden gebruik te maken van het telefoonnummer [XXX] , althans zodanige onmiddellijke voorziening te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht, een en ander met veroordeling van Dekker althans [C] in de kosten van het geding.
Bij verweerschrift van 13 maart 2020 heeft [D] zich uitgelaten over het in 1.10 weergegeven verzoek van Dekker en [C] .
Dekker en [C] hebben op 16 maart 2020 schriftelijk gerepliceerd en verweer gevoerd tegen het in 1.11 genoemde tegenverzoek van [A] c.s.
[A] c.s. hebben op 17 maart 2020 schriftelijk gedupliceerd.
2 De feiten
De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten genoemd in haar beschikkingen van 20 september 2019 en 12 november 2019 gaat voorts uit van de volgende feiten:
Zoals vermeld in de hierboven genoemde beschikkingen hebben [E] c.s. en [A] c.s. toegezegd dat zij de door de Ondernemingskamer te benoemen functionarissen ter zake van de vervulling van hun taak op geen enkele wijze aansprakelijk zullen stellen en hen geheel zullen vrijwaren van enige aansprakelijkheidstelling door derden. Op 13 november 2019 hebben [E] c.s. en [A] c.s. voorts een door Dekker opgestelde vrijwarings- en garantieovereenkomst ondertekend.
Bij brief van 18 november 2019 heeft Dekker, onder verwijzing naar de beschikking van 12 november 2019 (zie 1.4) aan [A] met onmiddellijke ingang de toegang tot het bedrijfsterrein ontzegd, vooralsnog voor de duur van twee maanden. In de brief worden als redenen voor deze maatregel onder meer genoemd de ernstig verstoorde verstandhouding tussen [A] en zijn broer [E] en tussen [A] en de overgrote meerderheid van het personeel, het niet (tijdig) beantwoorden van vragen van Dekker en de omstandigheid dat [A] voor de bedrijfsvoering niet onmisbaar is. Bij brief van 6 januari 2020 heeft Dekker de termijn van de ontzegging verlengd met drie maanden tot 17 april 2020. Die brief houdt onder meer in dat dankzij de ontzegging vanaf 18 november 2019 binnen de onderneming een situatie van relatieve rust is ontstaan en dat nagenoeg het voltallige personeel een voorkeur heeft voor verlenging van de maatregel.
Bij brief van 13 januari 2020 heeft Dekker namens [C] de managementovereenkomst met [B] met onmiddellijke ingang ontbonden, [B] aansprakelijk gesteld voor schade toegebracht aan [C] en iedere betalingsverplichting van [C] jegens [B] opgeschort. Subsidiair heeft Dekker de managementovereenkomst opgezegd tegen 13 juli 2020.
Nadat gebleken was dat [F] aanspraak maakte op het merk “Meestersap”, dat door [C] wordt gevoerd als private label ten behoeve van bepaalde afnemers, heeft Dekker besloten dat [C] dit merk vooralsnog niet zal voeren en in plaats daarvan het merk Gildesap als private label zal hanteren.
Bij brief van 20 januari 2020 heeft Dekker laten weten dat hij als bestuurder van [C] niet in onderhandeling zal treden met [A] over verkoop van de onderneming. Als reden daarvoor vermeldt de brief dat [A] er meermalen blijk van heeft gegeven niet in het vennootschappelijk belang van [C] te (willen) handelen.
Op 3 februari 2020 heeft Dekker de concept jaarstukken 2019 aan partijen toegezonden. De concept geconsolideerde jaarrekening van [C] houdt onder meer in:
“Na het vaststellen van de jaarrekening 2018 is zodanige onjuistheid geconstateerd met betrekking tot voorraad, debiteuren, latente belastingen, crediteuren en nog te betalen posten dat deze in ernstige mate tekortschiet in het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht. Het herstel van de fout is verwerkt in deze jaarrekening. Herrekening van het eigen vermogen per 31 december 2018 leidt tot een verschil van € 285.180 met het oorspronkelijke gerapporteerde eigen vermogen en is verwerkt als een rechtstreekse mutatie in het eigen vermogen aan het begin van het huidige boekjaar”.
De concept jaarrekening bevat vervolgens een nadere uitsplitsing van de afzonderlijke balansposten die onjuist zijn gebleken.
In een memo van 5 februari 2020 heeft de huidige advocaat van [A] c.s. uitgangspunten geformuleerd die volgens [A] c.s. bij de verkoop van de onderneming in acht genomen zouden moeten worden. Daartoe behoren: (a) een periode van exclusiviteit voor beide broers en (b) de mogelijkheid voor beide broers om ieder afzonderlijk financiers en/of overnamepartners (waaronder branchegenoten) te benaderen. Daarnaast diende [C] volgens dit memo de ontbinding van de managementovereenkomst ongedaan te maken, de merknaam Meestersap opnieuw te gaan voeren, en de opdracht, die Dekker namens [C] aan Van Hussen had verstrekt haar te adviseren bij de verkoop van de onderneming te beëindigen.
[G] (financieel adviseur van [A] c.s., hierna: [G] ) heeft bij brief van 27 februari 2020 aan [A] c.s. geschreven dat met de Rabobank is gesproken over een door [B] uit te brengen bod op de door [D] gehouden aandelen in [C] en op de (naast het bedrijfsterrein gelegen) woning van [E] . De brief houdt voorts in dat de Rabobank “een positieve grondhouding” heeft ten aanzien van de financiering van dit bod en dat die financiering tevens herfinanciering van de onderneming inhoudt, zodat ING kan worden afgelost. Bij brief van dezelfde datum heeft Rabobank aan [B] geschreven dat Rabobank met betrekking tot de financiering van de overname van de onderneming een positieve grondhouding heeft, maar dat dit op geen enkele wijze kan worden opgevat als een aanbieding.