Gerechtshof Amsterdam, 04-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1280, 200.270.660/01
Gerechtshof Amsterdam, 04-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1280, 200.270.660/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 mei 2021
- Datum publicatie
- 17 mei 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1280
- Zaaknummer
- 200.270.660/01
Inhoudsindicatie
Factoringovereenkomst; fiduciaverbod; persoonlijke garantie; dwaling; zorgplicht.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.270.660/01
zaak- en rolnummer rechtbank : C/15/276859 / HA ZA 18-496
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 mei 2021
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.M. Smetsers te Nijmegen,
tegen
CS FACTORING B.V.,
gevestigd te Obdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.M. Bond-Stroek te Hoorn.
Partijen worden hierna [appellant] en CSF genoemd.
1 De zaak in het kort
[appellant] is bestuurder geweest van Aston Arbeidsintermediair B.V. (hierna: Aston). Hij heeft zich persoonlijk garant gesteld voor de (schade door niet-)nakoming van bepaalde verplichtingen van Aston jegens CSF uit hoofde van een tussen Aston en CSF gesloten factoringovereenkomst. Op grond van die overeenkomst heeft CSF van Aston twaalf vorderingen op debiteuren van Aston gekocht en geleverd gekregen. Toen de debiteuren CSF niet betaalden, heeft CSF, naast Aston, ook [appellant] aangesproken uit hoofde van diens persoonlijke garantie. In hoger beroep speelt de vraag of [appellant] een beroep toekomt op dwaling bij het aangaan van de persoonlijke garantie. Mede in verband daarmee heeft [appellant] aan de orde gesteld of de factoringovereenkomst gelet op het fiduciaverbod (het verbod op overdracht tot zekerheid) een geldige titel voor overdracht oplevert.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 27 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis in verzet van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar) van 29 mei 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in het verzet en CSF als gedaagde in het verzet (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties; en
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 februari 2021 doen bepleiten, [appellant] door mr. Smetsers, voornoemd, en CSF door mr. Bond-Stroek, voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van CSF zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van CSF in de proceskosten in beide instanties met rente.
CSF heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
CSF voert een onderneming waarbij haar klanten onder overeengekomen voorwaarden facturen kunnen factoren. Factoren houdt in dat een ondernemer zijn handelsvorderingen op derden overdraagt aan een factoringmaatschappij (zoals CSF). In ruil voor een vergoeding (het factorloon) ontvangt de ondernemer direct (een deel van) zijn geld. Hij hoeft op die manier niet te wachten totdat zijn facturen zijn voldaan om te kunnen beschikken over liquide middelen.
Aston is opgericht op 29 april 2016 en voert een onderneming die zich bezighoudt met het uitzenden en detacheren van personeel. [appellant] was van 29 april 2016 tot 5 april 2018 bestuurder en aandeelhouder van Aston, tot 3 april 2017 samen met [X] (hierna: [X] ).
CSF en Aston hebben op 9 mei 2016 een overeenkomst tot koop en levering van handelsvorderingen gesloten (hierna: de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst verkocht en leverde Aston handelsvorderingen aan CSF, tegen betaling van 90% van de factuurwaarde van de vorderingen door CSF. Per aangebrachte factuur werd Aston aan CSF € 4,75 administratiekosten verschuldigd en een factorloon van 3% over de eerste dertig dagen en daarna 0,1% per dag, ingaand op de dag van uitbetaling door CSF van de factuur tot aan de dag van betaling door de debiteur.
In de overeenkomst is, voor zover relevant, bepaald dat op facturen aan de debiteuren van de overgedragen vorderingen wordt vermeld dat de desbetreffende vordering is overgedragen aan CSF en dat alleen bevrijdend kan worden betaald op een rekeningnummer van CSF (artikel 6 van de overeenkomst). Verder is overeengekomen dat Aston verplicht is een vordering die niet binnen negentig dagen na factuurdatum door de debiteur aan CSF is voldaan, op eerste verzoek van CSF terug te kopen tegen betaling van een bedrag van 100% van het factuurbedrag (artikel 11 lid 2 van de overeenkomst).
[appellant] heeft, ook op 9 mei 2016, een persoonlijke garantie ondertekend (hierna: de persoonlijke garantie), die als bijlage 1 aan de overeenkomst is gehecht. Deze luidt, voor zover relevant, als volgt: “Bijlage 1. Persoonlijke garantie(hoofdelijke aansprakelijkheid)
De ondergetekende(n)
verklaart/verklaren kennis genomen te hebben van de overeenkomst tot koop en levering van handelsvorderingen tussen CS Factoring en Verkoper gesloten op ____________
verklaart/verklaren, garant te staan voor de juiste nakoming van alle verplichtingen uit deze Overeenkomst door Verkoper alsmede voor mogelijke schade van CS Factoring voortvloeiend uit:
(...)
het niet nakomen van de verplichtingen van Verkoper tot terugkoop conform de gevallen zoals genoemd in artikel 11 van de overeenkomst;(...)
ieder voor zich zowel als gezamenlijk, hoofdelijk jegens CS Factoring naast Verkoper als medeschuldenaar verbonden.
(...)”
Uit hoofde van de overeenkomst heeft Aston aan CSF twaalf facturen uit de periode april tot en met juni 2017 aangeboden, tot een totaalbedrag van € 29.904,01. CSF heeft 90% van de factuurbedragen aan Aston voldaan. De vorderingen uit hoofde van deze facturen zijn overgedragen aan CSF.
De debiteuren van Aston hebben de facturen gedurende meer dan negentig dagen onbetaald gelaten. CSF heeft de desbetreffende debiteuren aangesproken tot betaling. CSF heeft daarnaast aan Aston laten weten een beroep te doen op artikel 11 van de overeenkomst, inhoudende dat Aston gehouden is de facturen van CSF terug te kopen tegen 100% van de gefactureerde bedragen. Aston heeft de facturen niet teruggekocht.
Bij brieven van 15 juni 2017 heeft (de incassogemachtigde van) CSF Aston en [appellant] in gebreke gesteld en hen gesommeerd tot betaling van het totale factuurbedrag, het factorloon, de contractuele boete, de contractuele rente en incassokosten. Toen betaling uitbleef, heeft CSF tegen Aston en [appellant] een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Holland. Bij vonnis van 4 april 2018 zijn [appellant] en Aston bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van, samengevat, een bedrag van € 41.293,77, te vermeerderen met factorloon (over € 29.897,01) en proceskosten (hierna: het verstekvonnis). [appellant] is op 19 juni 2018 van dit verstekvonnis in verzet gekomen. Die procedure is geëindigd in het bestreden vonnis.
Noch Aston, noch [appellant] heeft aan CSF enige betaling gedaan.