Gerechtshof Amsterdam, 08-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1741, 200.256.419/01
Gerechtshof Amsterdam, 08-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1741, 200.256.419/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 juni 2021
- Datum publicatie
- 15 juli 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1741
- Zaaknummer
- 200.256.419/01
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Boekhoudplicht (HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994). Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling? Oorzaak faillissement (HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916). Ernstig verwijt bij schending boekhoudplicht (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011)?
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.256.419/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6493767 \ CV EXPL 17-8608
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 juni 2021
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. K.G.O. Afriyieh te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] , handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.H.J. Dunselman te Alkmaar .
Partijen worden hierna [appellant] en de curator genoemd.
1 De zaak in het kort
In deze zaak vordert de curator in het faillissement van [X] B.V. (hierna: [X B.V.] ) schadevergoeding van [appellant] , haar enig bestuurder. Uit de administratie van [X B.V.] was de curator gebleken dat een groot aantal contante geldopnamen had plaatsgevonden. De verklaring die [appellant] hiervoor aan de curator had gegeven, te weten dat [appellant] Poolse werknemers contant had betaald, vond de curator niet voldoende. De curator stelt in deze procedure onder meer dat [appellant] als bestuurder geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en dat [appellant] zijn taak dus onbehoorlijk heeft vervuld. Volgens de curator is [appellant] daarom aansprakelijk voor de schade van [X B.V.] . De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) heeft de vorderingen van de curator bij vonnis van 28 november 2018 toegewezen.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 26 februari 2019 in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis van de kantonrechter (hierna ook: het eindvonnis), dat onder het eerder in dit arrest genoemde zaak- en rolnummer tussen de curator als eiser en [appellant] als gedaagde is gewezen.
Op 11 juli 2019 heeft bij het hof een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden. Vooruitlopend op die zitting heeft het hof op 25 juni 2019 en 3 juli 2019 nadere stukken van [appellant] ontvangen. Ter zitting zijn partijen onder meer overeengekomen dat zij met elkaar in overleg zouden treden om tot een finale minnelijke regeling te komen. Dat is niet gelukt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- akte met productie van [appellant] ;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat het hoger beroep van [appellant] ertoe strekt dat het hof zowel het eindvonnis, als het tussenvonnis dat de kantonrechter op 25 juli 2018 heeft gewezen (hierna ook: het tussenvonnis), zal vernietigen, de vorderingen van de curator alsnog zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – de curator zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
De curator heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
3 De feiten
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook voor het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
[X B.V.] is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 8 november 2016 in staat van faillissement verklaard. [X B.V.] was in mei van het jaar daarvoor opgericht. [appellant] was vanaf de oprichting tot de datum van het faillissement de enig aandeelhouder en bestuurder van [X B.V.] . Tot de werkzaamheden van de onderneming van [X B.V.] behoorde het monteren van kozijnen bij klanten.
Aan de curator is na de faillietverklaring administratie overhandigd. Deze omvat kolommenbalansen. Hierin is onder ‘liquide middelen’ de grootboekrekening ‘1298 Kruisposten’ vermeld. Een uitdraai van de grootboekrekening 1298 Kruisposten toont een overzicht van contante geldopnamen en enkele contante stortingen in de periode van 20 juni 2015 tot en met 31 maart 2016.
Bij e-mails van 15 november 2016, 28 november 2016 en 13 december 2016 heeft de curator [appellant] om informatie gevraagd over de contante geldopnamen en
stortingen. [appellant] heeft daarop niet gereageerd.
De curator heeft daarna per e-mail van 18 januari 2017 jegens [appellant] aanspraak gemaakt op betaling van € 26.533,15, zijnde volgens de curator het verschil tussen de contante opnamen minus de stortingen, vermeerderd met € 1.105,78 voor de schuld in rekening-courant van [appellant] en verminderd met € 5.192,63 aan loon dat [X B.V.] nog aan [appellant] verschuldigd was.
In reactie daarop heeft [appellant] bij e-mail van 18 januari 2017, zakelijk weergegeven, aan de curator bericht dat de contante opnamen grotendeels zijn gebruikt voor betaling van door hem ingeschakelde Poolse monteurs en dat hij hooguit een aantal keer een opname van € 20 aan de onderneming van [X B.V.] heeft onttrokken. Daarop heeft de curator aan [appellant] laten weten dat deze algemene verklaring voor hem niet voldoet.