Gerechtshof Amsterdam, 08-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1752, 200.273.381/01
Gerechtshof Amsterdam, 08-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1752, 200.273.381/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 juni 2021
- Datum publicatie
- 28 juni 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1752
- Zaaknummer
- 200.273.381/01
Inhoudsindicatie
Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB. Kort geding. Is de civiele rechter bevoegd zich uit te laten over de inhoud en toepassing van het Herstel¬kader? Coulancevergoeding. Geen schadevergoeding.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.273.381/01 KG
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/674481/KG ZA 19-1117
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 juni 2021
inzake
F&F (VASTGOED) B.V.,
gevestigd te Reuver, gemeente Beesel,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.L. Ubels te Amsterdam.
Partijen worden hierna F&F en de bank genoemd.
1 De zaak in het kort
F&F had twee rentederivaten lopen bij een andere bank. Haar bancaire relatie is in 2012 overgegaan naar de bank, die de rentederivaten heeft overgenomen. De bank heeft in 2018 F&F bericht dat de rentederivaten niet in aanmerking komen voor herbeoordeling onder het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: het Herstelkader). F&F heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt bij de bank. De bank heeft daarna een schikkingsaanbod van € 125.575,50 gedaan, op basis van een berekening waarin volgens de bank het Herstelkader had voorzien indien dat van toepassing zou zijn geweest. F&F heeft het aanbod afgewezen. Zij vordert in dit kort geding onder meer de onderbouwing door de bank van het aanbod en een voorschot.
2 Het geding in hoger beroep
F&F is bij dagvaarding van 22 januari 2020 in hoger beroep gekomen van vonnissen in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 6 december 2019 en 10 januari 2020, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen F&F als eiseres en de bank als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens inhoudende wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten productie tevens inbrengen producties en wijziging van eis van F&F, met producties;
- akte houdende bezwaar tegen eisvermeerdering en tegen een deel van de akte van appellante van de bank;
- antwoordakte tevens houdende intrekking eisvermeerdering en inbrengen productie van F&F, met een productie.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 11 februari 2021 plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak toegelicht, F&F door mr. J.M. Blanco Fernandéz, advocaat te Amsterdam, en de bank door mr. Ubels en mr. C.M.A. Rouméas, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
De procedure is aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
Ten slotte is arrest gevraagd.
F&F heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, na wijziging van haar eis, − voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –
primair de bank zal veroordelen tot afgifte van de onderbouwing van haar aanbod en het rapport van de independent reviewer en tot betaling van een voorschot van
€ 62.788, een en ander op straffe van een dwangsom, althans een passende compensatie conform het Herstelkader,
subsidiair de bank zal gebieden, indien het Herstelkader niet van toepassing is, tot het doen van een aanbod dat zoveel mogelijk in overeenstemming is met het Herstelkader, zonder daarbij de financiering van De Lage Landen in aanmerking te nemen,
meer subsidiair, indien het Herstelkader niet van toepassing is, de bank zal gebieden haar aanbod van € 125.576 gestand te doen,
met veroordeling van de bank in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.
De bank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met
− uitvoerbaar bij voorraad − veroordeling van F&F in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
3 Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het tussenvonnis van 6 december 2019 onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.
F&F heeft in 2008 bij (een rechtsvoorgangster van) Deutsche Bank twee rentederivaten afgesloten.
F&F heeft in december 2012 haar bankzaken en de twee rentederivaten ondergebracht bij de bank.
De bank heeft bij brief van 4 januari 2018 F&F bericht dat zij niet in aanmerking komt voor herbeoordeling onder het Herstelkader, omdat zij ten tijde van de overstap in december 2012 naar het oordeel van Rabobank een professionele partij was in de zin van het Herstelkader. F&F heeft daartegen bezwaar gemaakt. Rabobank heeft bij brief van 21 mei 2018 dat bezwaar afgewezen.
Omdat de bank haar standpunt dat de rentederivaten van F&F niet onder het toepassingsbereik van het Herstelkader vallen mede heeft gebaseerd op een rapport van een independent reviewer, heeft F&F de bank met een e-mail van 24 mei 2019 verzocht om inzage daarin. Rabobank heeft dit verzoek geweigerd.
De bank heeft in een e-mail van 16 juli 2019 aan F&F meegedeeld dat zij uit coulance toch een vergoeding zal aanbieden voor de rentederivaten. Zij heeft F&F daarover als volgt bericht:
Rabobank heeft besloten om F&F Europe en haar vertegenwoordiger F&F Vastgoed tegemoet te komen in haar rentederivatendossier.
Rabobank heeft onder meer in haar brief van 21 mei 2018 laten weten dat de renteswaps buiten het bereik vallen van het Uniform Herstelkader Rentederivaten.
De reden is dat F&F Europe ten tijde van het afsluiten bij Rabobank “professioneel” was in de zin van het Herstelkader. Bij het afsluiten van de voorgaande renteswaps bij Deutsche Bank kwalificeerde F&F Europe nog niet als professioneel. Voor de professionaliteit van F&F Europe is de situatie ten tijde van het afsluiten bij Rabobank bepalend, omdat geen sprake was van ongewijzigde voortzetting (novatie) zoals bedoeld in het Herstelkader.
Rabobank blijft bij het eerder medegedeelde besluit onder het Herstelkader.
Gezien de specifieke feiten van dit dossier, heeft Rabobank echter besloten F&F Europe tegemoet te komen. Wij zullen de compensatie berekenen waarin volgens Rabobank het Herstelkader had voorzien, indien dat van toepassing was geweest. Rabobank is voornemens om op basis van die berekening een bedrag aan te bieden, uiteraard op voorwaarde van finale kwijting en vastlegging in een vaststellings-overeenkomst.
Op 14 oktober 2019 heeft de bank F&F een compensatieaanbod van
€ 125.575,50 gedaan en aan F&F een berekening verstrekt hoe zij tot dat bedrag is gekomen. F&F heeft de bank daarop gevraagd het aanbod conform het Herstelkader te onderbouwen. De bank heeft F&F bericht dat een verdere uitwerking niet wordt verstrekt, omdat de berekening inhoudelijk overeenkomt met de berekening zoals die wordt verstrekt aan relaties die wel onder het Herstelkader vallen.
Partijen hebben op 7 november 2019 op het kantoor van de bank overleg gevoerd over het compensatieaanbod. Tijdens dit overleg hebben twee medewerkers van de bank het aanbod toegelicht.
F&F heeft het aanbod van de bank niet geaccepteerd.
In het Herstelkader staat, voor zover hier van belang, het volgende:
Voor zover MKB-Klanten het van de Bank ontvangen voorstel niet aanvaarden, zijn zij – evenals de bank – niet gebonden aan de in het Herstelkader omschreven regeling en kunnen zij – evenals de Bank – hieraan geen rechten ontlenen.
MKB-Klanten die het van de Bank ontvangen voorstel tot Herstel onder dit Herstelkader niet aanvaarden (...), kunnen eventuele klachten, aanspraken en/of vorderingen ten aanzien van het met de Bank afgesloten Rentederivaat individueel aan een rechtbank of het Kifid voorleggen.