Home

Gerechtshof Amsterdam, 06-07-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2245, 200.263.177/01 OK

Gerechtshof Amsterdam, 06-07-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2245, 200.263.177/01 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 juli 2021
Datum publicatie
10 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:2245
Zaaknummer
200.263.177/01 OK

Inhoudsindicatie

OK; geschillenregelingszaak; opdracht aan partij om stukken in het geding te brengen waaruit het precieze verloop van de rekening-courantstanden blijkt

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer 200.263.177/01 OK

zaak-/rolnummer rechtbank Oost-Brabant: C/01/283732 HA ZA 14-681

arrest van 6 juli 2021

inzake

[A] ,

wonende te [....] ,

APPELLANTE in het principaal hoger beroep,

VERWEERSTER in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.M.A. Lensen, kantoorhoudende te Terneuzen,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

gevestigd te [....] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DECUCARE B.V.,

gevestigd te Tilburg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMEDIS B.V.,

gevestigd te Valkenswaard,

4. [C],

wonende te [....] ,

VERWEERDERS in het principaal hoger beroep,

Verweerder sub 4 tevens APPELLANT in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. O.J.W. Reijnders, kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna [A] en [B] c.s. genoemd. [B] c.s. worden afzonderlijk Beheer B.V., Decucare, Promedis en [C] genoemd.

1.2

[A] heeft bij dagvaarding van 10 mei 2019, hersteld bij exploot van 4 juli 2019, hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juni 2018 en 13 februari 2019, gewezen tussen [A] als eiseres in conventie en verweerster in voorwaardelijke reconventie en [B] c.s. als gedaagden in conventie en [C] als eiser in voorwaardelijke reconventie.

1.3

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie, van 22 oktober 2019;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel, met producties, van 14 januari 2020;

- memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel, van 24 maart 2020.

1.4

Partijen hebben de zaak ter zitting van de Ondernemingskamer van 17 september 2020 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

1.5

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Inleiding

2.1

[A] en [C] hadden een affectieve relatie die medio 2013 is geëindigd. Zij houden ieder de helft van de aandelen in Beheer B.V. Beheer B.V., haar dochtervennootschappen Decucare en Promedis en een Belgische vennootschap waarvan [A] en [C] de aandeelhouders zijn, dreven een onderneming in speciale matrassen ter voorkoming van doorligwonden: traagschuimmatrassen en dynamische anti-decubitussystemen.

2.2

In deze procedure vordert [A] kort gezegd dat [C] , althans Beheer B.V., haar aandelen in Beheer B.V. overneemt tegen een door de rechter te bepalen prijs, met als peildatum 1 juli 2013. Indien een peildatum na 1 juli 2013 zou worden gehanteerd maakt [A] aanspraak op een billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW. [A] vordert voorts [C] te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Subsidiair vordert [A] hoofdelijke veroordeling van [B] c.s. tot betaling van (in hoofdsom) € 405.353,05 en vergoeding van schade, nader op te maken bij staat.

2.3

[C] vorderde in voorwaardelijke reconventie, te weten voor het geval de vordering van [A] tot uittreding als aandeelhouder wordt toegewezen, [A] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding in de zin van art. 2:343 lid 4 BW.

2.4

In het tussenvonnis van 27 juni 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de reconventionele vordering van [C] niet toewijsbaar is omdat de wet niet de mogelijkheid biedt om de vast te stellen prijs van de aandelen te verlagen op grond van de billijkheid. In hoger beroep is de reconventionele vordering niet meer aan de orde. In het tussenvonnis van 13 februari 2019 heeft de rechtbank [C] veroordeeld om de aandelen van [A] in Beheer B.V. over te nemen tegen betaling van de door de rechtbank na deskundigenadvies te bepalen prijs (waarin in beginsel een billijke verhoging van € 12.000 zal worden begrepen) en heeft de rechtbank een deskundigenbericht gelast ter beantwoording van de vraag wat de actuele waarde van de aandelen Beheer B.V. is. De rechtbank heeft in conventie en reconventie bepaald dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld en iedere verdere beslissing aangehouden.

3 Feiten

3.1

De door de rechtbank in het vonnis van 27 juni 2018 vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil, met uitzondering van de vaststelling dat [A] tot 1 maart 2013 voor KBC Bank werkte. Hiertegen keert [C] zich met grief I in het voorwaardelijk incidenteel appel, die hierna onder 4.40 zal worden besproken. Deze feiten – verkort weergegeven en aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist in hoger beroep zijn komen vast te staan – komen neer op het volgende.

3.2

[A] en [C] houden ieder de helft van de aandelen in Beheer B.V. en zijn ieder zelfstandig bevoegd bestuurder van Beheer B.V. Beheer B.V. houdt alle aandelen in de werkmaatschappijen Decucare en Promedis. Decucare bevindt zich vanaf 17 mei 2016 in staat van faillissement. [A] en [C] houden tevens ieder de helft van de aandelen in de Belgische vennootschap Promedis BVBA (hierna: Promedis België). Promedis België is ook gefailleerd.

3.3

Promedis importeerde traagschuimmatrassen (van leverancier Euromousse) en leverde deze aan Promedis België, Decucare en andere Nederlandse klanten, met uitzondering van de thuiszorgorganisatie Welzorg Nederland B.V. (hierna: Welzorg). Promedis België verkocht deze traagschuimmatrassen aan klanten in Europa buiten Nederland. Promedis België importeerde daarnaast dynamische anti-decubitussystemen (van leverancier Eezcare Medical) en leverde deze onder meer aan Decucare. Decucare handelde in traagschuimmatrassen en dynamische anti-decubitussystemen. Haar belangrijkste afnemer was Welzorg. Promedis België verkocht de door haar geïmporteerde dynamische systemen aan afnemers in Europa, met uitzondering van Welzorg.

3.4

Er bestond tussen [C] en [A] een zekere taakverdeling. [C] richtte zich op de commerciële kant van de onderneming en [A] op de administratieve processen.

3.5

Decucare heeft over 2012 een omzet van € 607.000 en een winst van € 189.887 gerealiseerd en over 2013 een omzet van € 1.155.000 en een winst van € 106.546. Over 2014 leed Decucare – volgens de door [C] opgestelde jaarstukken waarmee [A] zich niet heeft verenigd – een verlies van € 434.361, bij een omzet van € 313.000. Promedis heeft over 2012 een omzet gerealiseerd van € 194.000 en een verlies geleden van € 25.000 en over 2013 een omzet van € 246.000 en een verlies van € 52.000. Over 2014 leed Promedis een verlies van € 46.000, bij een omzet van € 87.000.

3.6

Tussen Decucare en haar belangrijkste afnemer Welzorg is in mei of juni 2013 een geschil ontstaan over de facturatie door Decucare. Dit heeft geleid tot opschorting van betalingen door Welzorg en beëindiging van de leveringsovereenkomst na afloop van de termijn daarvan in 2015.

3.7

Bij akte van 13 maart 2014 heeft Decucare het Benelux woord- en beeldmerk ‘Deculijn’ om niet overgedragen aan Promedis België. Bij die transactie heeft [C] beide partijen vertegenwoordigd. Na het faillissement van Decucare zijn de merkrechten weer teruggeleverd.

3.8

Eezcare Medical heeft eind november 2014 de levering van dynamische anti-decubitussystemen aan Promedis België gestaakt vanwege een betalingsachterstand.

3.9

Op 2 december 2014 is de Belgische vennootschap International Medical Solutions BVBA (hierna: IMS) opgericht door de moeder van de nieuwe levenspartner van [C] en de vriendin van [D] , een (voormalige) medewerker van Promedis België. IMS heeft tot doel onder meer de import en export en de groothandel in verzorgings-, revalidatie- en medische materialen.

3.10

Op verzoek van een werknemer die nog loon te vorderen had is Decucare bij vonnis van 17 mei 2016 staat van faillissement verklaard.

3.11

Op 8 juni 2016 is de Belgische vennootschap Prime Medical Solutions BVBA (hierna: PMS) opgericht door [E] , de nieuwe levenspartner van [C] (hierna: [E] ), en [D] (hierna: [D] ). PMS heeft tot doel onder meer de import en export en de groothandel in verzorgings- revalidatie- en medische materialen. PMS is gevestigd op het woonadres van [C] en [E] .

3.12

Beheer B.V. en haar dochtervennootschappen drijven geen onderneming meer; Decucare is failliet en Promedis heeft geen activiteiten meer. De in opdracht van [C] opgemaakte balans van Beheer B.V. per 31 december 2016 vermeldt een bedrag aan € 255.273 aan activa, geheel bestaande uit vorderingen. Het overgrote deel van die vorderingen bestaat uit een vordering op [C] en [A] van € 242.902. Die vordering komt voort uit opnames in de periode vóór juli 2013, toen [C] en [A] nog samenwoonden. Beheer B.V. heeft een belastingschuld van € 108.909 per 27 augustus 2018, de (mede) het gevolg is van ambtshalve aanslagen.

3.13

IMS heeft over 2016 een bedrijfswinst gemaakt van ruim € 36.325, over 2017 € 19.604, over 2018 € 46.738 en over 2019 € 95.438. Over het boekjaar van 10 juni 2016 tot 30 juni 2017 heeft PMS een bedrijfswinst gemaakt van € 178.502, over het boekjaar 2017/2018 € 19.310 en over het boekjaar 2018/2019 € 220.110.

4 Beoordeling

5 De beslissing