Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2881, 200.294.714
Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2881, 200.294.714
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2021
- Datum publicatie
- 8 december 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2881
- Zaaknummer
- 200.294.714
Inhoudsindicatie
enquêteprocedure, afwijzing verzoek
Uitspraak
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.294.714/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 oktober 2021
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SUBLIEM B.V.,
gevestigd te Nijkerk,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. G.R.G. Driessen en mr. C. van der Schoot, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. Y. Borrius en mr. M.J.R. Brons, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[C] ,
gevestigd te [....] ,
3. [D],
wonende te [....]
4. [E],
wonende te [....]
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. Y. Borrius en mr. M.J.R. Brons, kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
-
verzoekster als Subliem;
- -
-
verweerster als [A] ;
- -
-
belanghebbenden ieder afzonderlijk als [B] , [C] , [D] en [E] en gezamenlijk als [F c.s.] ;
- -
-
[D] en [E] als de zussen;
- -
-
verweerster en belanghebbenden gezamenlijk als [G c.s.]
1 Het verloop van het geding
Subliem heeft bij op 20 mei 2021 ingekomen verzoekschrift de Ondernemingskamer – samengevat – verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [A] , waaronder begrepen het handelen en nalaten van [F c.s.] , over de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met de dag van de in deze procedure te wijzen beschikking.
[G c.s.] hebben bij op 12 augustus 2021 ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van Subliem af te wijzen en Subliem te veroordelen in de kosten van de procedure.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 2 september 2021. De advocaten (namens Subliem waren dat mr. C.A.M. van Wesel en mr. J.C.M van Gerwen) hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en wat mrs. Van Wesel en Van Gerwen betreft onder overlegging van eerder toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2 Inleiding
De zussen hebben met [A] een onderneming opgericht die zich toelegt op de productie en online verkoop van gepersonaliseerde sieraden. Voor de verkoop wordt onder meer gebruik gemaakt van bekende influencers. Na de eerste verlieslatende jaren bedroeg in 2020 de omzet ongeveer € 7,5 miljoen en het resultaat ongeveer € 700.000. [H] , zelf ondernemer, was een vriend van de familie die bereid was de zussen via zijn persoonlijke vennootschap Subliem enig startkapitaal ter beschikking te stellen in ruil voor een minderheidsbelang in [A] . Eind 2019 hebben de zussen laten weten de onderneming voort te willen zetten zonder participatie door [H] en sindsdien proberen zij hem tot verkoop van zijn indirecte belang te bewegen. [H] heeft echter besloten zijn deelneming te handhaven. In haar enquêteverzoek klaagt Subliem dat [F c.s.] onvoldoende rekening houden met haar belangen als minderheidsaandeelhouder, onder meer bij de vaststelling van hun bezoldiging.
3 Feiten
[A] is op 3 december 2015 opgericht. Vanaf de oprichting houdt Subliem 10% en houden [B] en [C] elk 45% van de aandelen in het geplaatst kapitaal van [A] . [B] en [C] zijn de persoonlijke holdings van de zussen. Deze vennootschappen vormen samen het bestuur van [A] en zijn als bestuurders ieder zelfstandig bevoegd [A] te vertegenwoordigen.
[H] is via zijn persoonlijke holding samen met zijn vrouw aandeelhouder en bestuurder van Subliem.
In 2015 heeft [H] via Subliem een bedrag van € 10.000 aan de zussen ter beschikking gesteld. Dit bedrag is ter gelegenheid van de oprichting van [A] omgezet in kapitaal. Daarnaast heeft Subliem diverse leningen aan [A] verstrekt, tot in totaal afgerond € 100.000. Deze leningen zijn, op een bedrag van ongeveer € 25.000 na, terugbetaald.
Op 11 november 2019 is [I] opgericht, een vennootschap waarin alle aandelen worden gehouden door [B] en [C] In deze vennootschap vinden geen activiteiten plaats.
Eind 2019 hebben de zussen aan [H] kenbaar gemaakt dat zij Subliem willen uitkopen als aandeelhouder van [A] . In reactie hierop heeft [H] laten weten dat Subliem in beginsel geen interesse heeft in verkoop van de aandelen, maar dat een voldoende interessant voorstel hierin verandering kan brengen.
Bij e-mail van 24 december 2019 hebben de zussen, bij monde van hun advocaat het volgende aan [H] bericht:
“Zoals u weet, zijn [D] en [E] van mening dat het aandeelhouderschap van Subliem B.V. niet meer past bij de huidige situatie en bovendien een mogelijke belemmering vormt voor de groei van [A] . Mede om die reden willen zij op korte termijn afscheid nemen van Subliem B.V. als aandeelhouder. Ook op andere punten wordt de structuur van [A] gewijzigd. Zo is met het oog op risicospreiding recentelijk een nieuwe entiteit opgericht waarin nieuwe buitenlandse activiteiten worden ondergebracht. Van deze nieuw opgerichte entiteit houden [D] en [E] (via hun holdings) beiden 50% van de aandelen. Daarnaast wordt overwogen ook de bestaande activiteiten van [A] over te dragen aan een nieuwe entiteit. Ook van deze nieuwe entiteit zullen [D] en [E] alsdan beiden 50% van de aandelen gaan houden. Voor [A] - de entiteit waarvan Subliem B.V. aandeelhouder is - resteert in geval van een dergelijke transactie dan nog slechts (het recht op) een marktconforme koopprijs. Wanneer deze koopprijs is ontvangen, zal [A] worden ontbonden en vereffend waarbij Subliem B.V. aanspraak maakt op 10% van het bedrag dat resteert nadat alle schuldeisers zijn voldaan. Op basis van de informatie van de waarderingsdeskundige die [D] en [E] hebben ingeschakeld, komt een marktconforme koopprijs naar verwachting neer op een bedrag voor Subliem B.V. in de orde van grootte van € 150.000. Omdat de uitkering aan Subliem B.V. mede afhankelijk is van de omvang van de schuldenlast van [A] ten tijde van de vereffening, kan in dit verband echter geen garantie worden gegeven.”
In de e-mail wordt een voorstel gedaan om bij wijze van minnelijke regeling de aandelen van Subliem B.V. voor een bedrag van € 175.000 te kopen, te vermeerderen met 2,5% van de verkoopopbrengst indien (zo goed als) alle aandelen [A] binnen 2 jaar aan een externe partij worden doorverkocht. Daarbij is kenbaar gemaakt dat indien het voorstel niet wordt geaccepteerd, het traject tot overdracht van de activiteiten en ontbinding/vereffening van [A] zal worden opgestart.
Naar aanleiding van de reactie van [H] op deze e-mail en de daarover gestelde vragen hebben [F c.s.] op 22 maart 2020 een door [J] opgesteld waarderingsrapport van 18 maart 2020 aan [H] toegestuurd. In dat rapport wordt de waarde van de onderneming van [A] geschat op circa € 1.600.000.
In april en mei 2020 hebben [H] en [F c.s.] over en weer voorstellen voor een uitkoopsom gedaan. Dit heeft niet geleid tot overeenstemming.
Op 29 mei 2020 heeft een aandeelhoudersvergadering van [A] plaatsgevonden. Voor die vergadering waren onder andere de vaststelling van de jaarrekening 2019 en de managementvergoeding voor [B] en [C] geagendeerd. In de vergadering is onder meer discussie ontstaan over kosten van het advocatenkantoor Florent en kosten van een geraadpleegde fiscalist in verband met [A] International, die als advieskosten in de jaarrekening zijn opgenomen. Naar aanleiding hiervan is afgesproken dat de kosten van Florent niet ten laste komen van [A] en uit de post advieskosten zullen worden geschrapt. Daarnaast heeft [H] vragen gesteld over de verhoging van de managementvergoeding van € 120.000 (voor twee bestuurders) in 2018 naar € 230.000 (voor twee bestuurders) in 2019. Daarover is toegelicht dat de managementvergoeding per 1 januari 2019 was verhoogd naar € 7.500 per persoon per maand en per 1 september naar € 10.000 per persoon per maand, en dat daarnaast een bonus van € 15.000 per manager is vastgesteld. Daarmee bedroeg de managementvergoeding € 115.000 per persoon per jaar. Namens [F c.s.] is geconcludeerd dat er op de vergadering geen consensus over de managementvergoeding is bereikt. Na stemming zijn de jaarrekening 2019 en de daarin opgenomen managementvergoeding vastgesteld, is aan de bestuurders van [A] decharge verleend en is besloten tot toevoeging van de winst aan de reserves. Subliem heeft tegen deze besluiten gestemd [B] en [C] hebben voor gestemd. Aan het einde van de vergadering heeft Subliem nog een voorstel voor een uitkoopsom gedaan. Dit voorstel is niet aanvaard.
Bij (eveneens) per e-mail toegezonden aangetekende brief van 15 december 2020 hebben [B] en [C] Subliem opgeroepen voor een buitengewone aandeelhoudersvergadering op 24 december 2020. Op de agenda van deze vergadering stond de goedkeuring van het bestuursbesluit tot overdracht van de onderneming van [A] aan haar dochtervennootschap Vedder [K] alsmede de overdracht van alle aandelen in Vedder [K] aan [I] Daarop heeft de advocaat van Subliem op 21 december 2020 gereageerd met een als bezwarenbrief ex artikel 2:349a BW aangeduide brief. Daarin werd onder meer geklaagd over het zonder voorafgaand aandeelhoudersbesluit verhogen van de managementvergoedingen, de voorgenomen (oneigenlijke) uitkoop (die materieel liquidatie van [A] betekent) en de wijze waarop Subliem voor de vergadering is opgeroepen. De oproep voor de aandeelhoudersvergadering is vervolgens ingetrokken.
Vervolgens heeft Subliem herhaaldelijk verzocht alsnog een buitengewone aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen, waarbij onder meer het terugdraaien en terugbetalen van de verhoging van de managementvergoeding, de voorgenomen overdracht van de onderneming, de financiële resultaten over het jaar 2020 en het vaststellen van een dividendbeleid zouden moeten worden geagendeerd.
De buitengewone aandeelhoudersvergadering heeft op 7 april 2021 plaatsgevonden. Tijdens de vergadering is onder meer in aanwezigheid van de (nieuwe) accountant van [A] de concept jaarrekening 2020 besproken. [H] heeft opnieuw zijn bezwaren geuit tegen de hoogte van de managementvergoeding in 2019 alsmede tegen een nadere verhoging van die vergoeding per 1 januari 2020 tot een totaalbedrag van € 300.000 (€ 12.500 per persoon per maand). Daarnaast is volgens de concept-notulen van de vergadering, die (nog) niet (volledig) door Subliem zijn goedgekeurd, afgesproken dat Subliem (i) een lijst zal opstellen met vragen en opmerkingen over de concept jaarrekening 2020 en (ii) zal nakijken of de spreadsheet met daarin opgenomen de door (de adviseur van) [H] opgestelde eigen waardering van [A] beschikbaar gemaakt kan worden, en dat [F c.s.] (iii) zullen nadenken over het formuleren van een dividendbeleid en (iv) een benchmark zullen toesturen voor de managementvergoeding die is opgenomen in de concept jaarrekening.
Na de vergadering heeft de advocaat van Subliem aan de advocaat van [F c.s.] bericht dat een enquêteverzoek zal worden ingediend, omdat [F c.s.] “structureel hebben geweigerd buiten rechte rekening en verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering” en weigeren “zich voldoende rekenschap te geven van de belangen van [H]”.
Bij e-mail van 11 juni 2021 is namens [F c.s.] een voorstel voor een dividendbeleid en een ‘memo inzake hoogte vergoeding directeur’ aan Subliem toegezonden. In dat memo wordt op basis van de resultaten van een door de Nederlandse Vereniging van Commissarissen en Directeuren (NCD) in 2019 uitgevoerd beloningsonderzoek geconcludeerd dat in de situatie van [A] , waarbij de directeuren op basis van een managementovereenkomst met hun persoonlijke holding hun werkzaamheden verrichten, de werkgeverslasten (afgerond) € 191.000 bedragen. Bij de berekening van dit bedrag is uitgegaan van een volgens het onderzoek gemiddelde inkomen voor directeuren van € 166.000.
Bij e-mail van 2 augustus 20121 heeft de advocaat van [H] en Subliem de in 3.14 onder (i) bedoelde vragen en opmerkingen over de concept jaarrekening 2020 aan de advocaat van [A] en [F c.s.] toegezonden.