Home

Gerechtshof Amsterdam, 14-09-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2946, 200.283.800/01

Gerechtshof Amsterdam, 14-09-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2946, 200.283.800/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14 september 2021
Datum publicatie
19 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:2946
Formele relaties
Zaaknummer
200.283.800/01

Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; kinder- en partneralimentatie. Omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad.

Uitspraak

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.283.800/01

rekestnummers rechtbank: FA RK 16-8149 (echtscheiding) / FA RK 17-3909 (verdeling)

zaaknummers rechtbank: C/09/520705 (echtscheiding) / C/09/532989 (verdeling)

beschikking van de meervoudige kamer van 14 september 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K. Moene te 's-Gravenhage,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.B.J.M. Spoormans te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft bij beschikking van 19 juni 2020 (zaaknummer 19/02562) de tussen partijen gewezen beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 (zaaknummers 200.238.103/01 en 200.238.111/01) vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.2

Voor het verloop van de procedure in feitelijke instanties tot de beschikking van de Hoge Raad verwijst het hof naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 5 februari 2018, en de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019.

1.3

De man heeft bij schrijven van 25 september 2020 met bijlagen de zaak ter verdere behandeling bij dit hof aangebracht.

1.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 22 januari 2021, houdende een brief met bijlagen, ingekomen op 25 januari 2021;

- een brief van de zijde van de vrouw van 25 januari 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een e-mailbericht van de zijde van de vrouw van 12 februari 2021 met bijlagen.

1.5

De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De vrouw heeft zich daarbij van pleitaantekeningen bediend en heeft deze overgelegd.

2 De feiten

2.1

Het huwelijk van partijen is op 14 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] (hierna: [kind 1] ), geboren [in] 2002;

- [kind 2] (hierna: [kind 2] ), geboren [in] 2005 (hierna gezamenlijk ook: de kinderen).

2.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4

Bij de beschikking inzake de voorlopige voorzieningen van 22 december 2016, heeft de rechtbank met ingang van 29 november 2016 een voorlopige partneralimentatie bepaald van € 3.270,- per maand en een voorlopige kinderalimentatie van € 630,- per kind per maand.

2.5

Bij de rechtbank Den Haag loopt tussen partijen een procedure onder zaaknummer C/9/581519, door de man ingesteld bij verzoekschrift van 10 september 2019. De man heeft in die procedure verzocht tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 juni 2019. De vrouw heeft in deze procedure zelfstandige verzoeken ingediend tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak was nog geen mondelinge behandeling bij de rechtbank den Haag bepaald.

3 De omvang van het geschil

3.1

De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover hier van belang, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) verzocht van € 5.703,- bruto per maand.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de kinderen tot 1 januari 2019 op € 705,- per maand per kind bepaald en vanaf 1 januari 2019 op € 678,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 5 februari 2018 tot 1 januari 2019 een bedrag van € 5.700,- per maand, en vanaf 1 januari 2019 € 4.902,- per maand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3

De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, te vernietigen voor wat betreft de kinder- en de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

I. met betrekking tot de kinderalimentatie: de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 februari 2018 te bepalen op € 424,- per maand per kind, althans te bepalen op een bedrag als het hof vermeent te behoren;

II. met betrekking tot de partneralimentatie:

- primair de door de vrouw verzochte partneralimentatie af te wijzen en op nihil te bepalen omdat de vrouw niet behoeftig is,

- subsidiair de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat – rekening houdend met hetgeen de man heeft aangevoerd – de aanvullende behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de jusvergelijking niet overstijgt,

- te bepalen dat de partneralimentatie op grond van limitering eindigt op 1 januari 2020 (althans eindigt na een dusdanige periode als het hof vermeent te behoren), althans de partneralimentatie op 1 januari 2020 (althans na een dusdanige periode als het hof vermeent te behoren) op nihil te stellen, dan wel dat de partneralimentatie wordt afgebouwd op een wijze als het hof vermeent te behoren.

3.4

De vrouw heeft zich in hoger beroep tegen de verzoeken van de man verweerd en verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en voor zover hier van belang, de bestreden beschikking in stand te laten voor zover het de partneralimentatie betreft tot 1 januari 2019.

In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw, voor zover hier van belang, verzocht - de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vanaf 1 januari 2019 te betalen kinder- en partneralimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2019 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 705,- per maand per kind (te vermeerderen met de wettelijke indexering voor 2019), en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 5.700,- per maand (te vermeerderen met de wettelijke indexering voor 2019), althans te bepalen op een bedrag als het hof vermeent te behoren.

3.5

Bij beschikking van het hof Den Haag van 27 februari 2019 is de beschikking van de rechtbank vernietigd en:

- bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 5 februari 2018 € 705,- per maand per kind dient te betalen;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in de periode van 5 februari 2018 tot 1 juli 2018 op € 3.546,- per maand wordt bepaald, in de periode van 1 juli 2018 tot 1 september 2019 op € 1.675,- per maand en met ingang van 1 september 2019 op nihil.

In overweging 26 heeft het hof voorts overwogen dat het hof veronderstelt dat partijen in onderling overleg in staat zijn om, zo nodig in samenspraak met hun respectieve advocaten, een redelijke en billijke terugbetalingsregeling overeen te komen.

3.6

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 19 juni 2020 de beschikking van het hof Den Haag van 27 februari 2019 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

4 Beoordeling van het hoger beroep

5 De beslissing