Home

Gerechtshof Amsterdam, 12-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3043, 200.280.005/01

Gerechtshof Amsterdam, 12-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3043, 200.280.005/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2021
Datum publicatie
15 november 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3043
Zaaknummer
200.280.005/01

Inhoudsindicatie

De ACM heeft aan appellanten boetes opgelegd wegens overtreding van het in artikel 6 Mededingingswet neergelegde kartelverbod. De boetes zijn later vernietigd. De aan de boetes ten grondslag gelegde gedragingen gaven de bank voldoende grond de kredietrelatie met appellanten te (willen) beëindigen. De handelwijze van de bank en de maatregelen die de bank heeft genomen nadat de ACM de betreffende boetes had opgelegd zijn in de omstandigheden van dit geval proportioneel, niet in strijd met de bancaire zorgplicht en ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.”

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.280.005/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/665871 / HA ZA 19-488

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 oktober 2021

inzake

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

3. ALLURA B.V.,

gevestigd te Zutphen,

4. H & GBP B.V.,

gevestigd te Marknesse (gemeente Noordoostpolder),

appellanten,

advocaat: mr. A.T. Eisenmann te Amsterdam,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellanten] en Rabobank genoemd. Appellanten worden ieder afzonderlijk aangeduid als [appellant sub 2] , [appellant sub 1] , Allura en H&GBP.

1 De zaak in het kort

[appellanten] hebben een jarenlange bankrelatie met Rabobank. In 2013 heeft de ACM boetes opgelegd aan twee ondernemingen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] (waaronder Allura) voor betrokkenheid bij het maken van niet-toegestane prijsafspraken op executieveilingen. Naar aanleiding daarvan is Rabobank met [appellanten] in gesprek gegaan over beëindiging en afbouw van de kredietrelatie. De rechtbank en het CBb hebben in beroep en hoger beroep genoemde boetebesluiten van de ACM vernietigd. [appellanten] stellen onder meer dat Rabobank jegens hen wanprestatie heeft gepleegd en dat de beëindiging van de cliëntrelatie door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2 Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 mei 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2020, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen en Rabobank als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 september 2021 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Eisenmann voornoemd en mr. L. van Hezik, advocaat te Amsterdam, en Rabobank door mr. D.S. van Lith, advocaat te Utrecht, [appellanten] aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met veroordeling tot terugbetaling van het door [appellanten] ter uitvoering van dat vonnis betaalde bedrag, met rente en kosten, en met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in beide instanties. Rabobank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

4 Beoordeling

5 Beslissing