Home

Gerechtshof Amsterdam, 08-02-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:305, 200.287.498/01 OK

Gerechtshof Amsterdam, 08-02-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:305, 200.287.498/01 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
8 februari 2021
Datum publicatie
12 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:305
Zaaknummer
200.287.498/01 OK

Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; er wordt bij wijze van onmiddellijke voorziening een bestuurder benoemd; de beslissing tot het gelasten van een onderzoek wordt aangehouden

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.287.498/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 8 februari 2021

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

beide gevestigd te [....] ,

VERZOEKSTERS,

advocaat: mr. P.P.A. Vroegrijk, kantoorhoudende te Breda,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ,

gevestigd te [....] ,

VERZOEKSTER,

advocaten: mr. V.G.G. Veldhuis en mr. J. van Baaren, beiden kantoorhoudende te Breda,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

niet verschenen,

e n t e g e n

1 [D] ,

2. [E],

beiden wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

verschenen in persoon.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

-

verzoekster 1 als [A] ;

-

verzoekster 2 als [B] ;

-

verzoekster 3 als [C] ;

-

belanghebbenden als [D] en [E] .

1.2

Verzoeksters hebben bij op 23 december 2020 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer gezamenlijk verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [A] over de periode vanaf 1 januari 2018. Daarbij hebben zij tevens verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [A] met doorslaggevende stem en die zelfstandig bevoegd is [A] te vertegenwoordigen, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht, alsmede om de kosten van het geding te compenseren tussen de verschenen partijen.

1.3

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 18 januari 2021. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft de behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. G.C. Makkink als raadsheer-commissaris. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen toegelicht onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer gezonden nadere gezamenlijke producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

1.4

Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden. Daarbij is aan partijen gemeld dat de Ondernemingskamer mede op basis van het proces-verbaal een beschikking zal geven.

2 De feiten

2.1

[A] is op 20 april 2001 opgericht. [B] en [C] houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] . [D] en [E] zijn broers, vormen samen het bestuur van [A] en zijn als bestuurders alleen/zelfstandig bevoegd [A] te vertegenwoordigen. [D] en [E] zijn enig aandeelhouder en enig bestuurder van respectievelijk [B] en [C] .

2.2

De onderneming van [A] , gestart in 1933, exploiteert een houtzagerij en levert houtproducten aan de meubel-, trappen- en houtverwerkende industrie alsmede interieurbouw en bouwmarkten. [A] heeft één parttime werknemer in loondienst.

2.3

Aanvankelijk hield de feitelijke arbeidsverdeling tussen de broers in dat [D] het zaagwerk deed, waarna [E] het hout schaafde tot balken en planken. Op naam van [A] werden de eindproducten geleverd en bij klanten in rekening gebracht.

2.4

Op het bedrijfsterrein van [A] staat een opstal met een (schaaf-)werkplaats, een droogkamer, een kantine, een opstal met een droogopslagloods, een zagerij/werkplaats, een binnenplaats en een strook grond – die aan [D] en [E] ieder voor de helft in eigendom toebehoort – voor de opslag van houtvoorraden. Op het bedrijfsterrein bevindt zich ook een bedrijfswoning die in eigendom is van [E] (en bewoond wordt door zijn dochter) en een woning die eigendom is van en bewoond wordt door de ouders van [D] en [E] .

2.5

Tussen [D] en [E] is onenigheid ontstaan, die is geëscaleerd, met onderlinge spanningen en confrontaties als gevolg, waarin ook hun ouders betrokken zijn geraakt.

2.6

Partijen hebben diverse wegen bewandeld om tot een minnelijke oplossing te komen. Medio 2018 hebben zij, zonder succes, gesprekken gevoerd onder leiding van een mediator. Eind 2018 hebben partijen aan drs. Ph.M. van Spaendonck RV (hierna: Van Spaendonck) gevraagd bij wijze van bindend advies te beslissen over een aantal geschilpunten. Van Spaendonck heeft op 25 februari 2020 een bindend advies uitgebracht. [D] heeft zich niet neergelegd bij dit bindend advies.

2.7

Partijen hebben onderhandeld over een definitieve oplossing in de vorm van een uitkoop van [E] door [D] door middel van een aandelenovername dan wel een activa-/passivatransactie. Het antwoord op de vraag welke van deze twee opties fiscaal gezien het gunstigst is, vormde een struikelblok, net zoals de uiteenlopende opvattingen van partijen over de waarde van het vastgoed. De bedrijfsmiddelen zijn in gezamenlijke opdracht van partijen door een onafhankelijk deskundige getaxeerd, maar [D] kan zich niet vinden in de uitkomst daarvan. Ook een (eventueel) overeen te komen relatie- en/of concurrentiebeding vormt een geschilpunt.

2.8

Teneinde tijdens voormelde onderhandelingen de rust op het bedrijfsterrein te doen terugkeren, hebben partijen overleg met elkaar gevoerd en een aantal maatregelen getroffen. Zo zijn de normale bedrijfsactiviteiten van [A] stilgelegd en zijn [D] en [E] medio 2020 hun eigen ondernemingen gestart op het bedrijfsterrein van [A] . Zij zijn tot het verdelen van de houtvoorraden overgegaan; deze verdeling is op enkele voorraden na afgerond. Verder hebben [D] en [E] getracht praktische werkafspraken met elkaar te maken om ervoor te zorgen dat ieder van hen onbelemmerd zijn bedrijfsactiviteiten zou kunnen uitoefenen, maar zij hebben geen overeenstemming bereikt over het gebruik van de beschikbare ruimte op het terrein en de opstallen.

2.9

De voortdurende escalaties tussen partijen hebben geleid tot het opwerpen van blokkades, waarbij houten balken en/of bedrijfsmiddelen zijn geplaatst voor houtvoorraden, doorgangen op het bedrijfsterrein en bedrijfsmiddelen om het gebruik ervan voor de ander onmogelijk te maken.

2.10

Eind 2020, toen de onderhandelingen tussen partijen op een laag pitje waren komen te staan, hebben [D] en [E] een ‘noodverband’ aangelegd in de vorm van afspraken om tot een werkbare situatie te komen door opgeworpen blokkades weg te nemen. Deze afspraken zijn volgens [D] geschonden door [E] , met als gevolg dat [D] weer blokkades heeft opgeworpen, zij over en weer sleutels van elkaars machines / bedrijfsmiddelen hebben weggenomen en zij elkaar ervan hebben beschuldigd maatregelen te treffen om de ander dwars te zitten.

2.11

De jaarrekening over het jaar 2016 van [A] is opgesteld, maar nog niet vastgesteld door de algemene vergadering. De jaarrekeningen over de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn nog niet opgesteld.

2.12

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling op 18 januari 2021 ten overstaan van de raadsheer-commissaris met elkaar afgesproken om de volgende dag om 9.00 uur samen op het bedrijfsterrein afspraken te maken over de wijze waarop beiden voorlopig op het terrein hun werkzaamheden kunnen verrichten.

3 De gronden van de beslissing

4 De beslissing