Gerechtshof Amsterdam, 21-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4041, 200.258.943/01
Gerechtshof Amsterdam, 21-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4041, 200.258.943/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 december 2021
- Datum publicatie
- 18 januari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4041
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:18
- Zaaknummer
- 200.258.943/01
Inhoudsindicatie
renteswapovereenkomst, gestelde tekortkomingen van de bank, verjaring (HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603).
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.258.943/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/625412 / HA ZA 17-282
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 december 2021
inzake
BOMO III B.V.,
gevestigd te Noordwijk,
appellante,
eiseres in het incident/verweerster in het voorwaardelijk incident,
advocaat: mr. H.J. Bos te Haarlem,
tegen:
DEUTSCHE BANK AG,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerster in het incident/eiseres in het voorwaardelijk incident,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
Partijen worden hierna Bomo en Deutsche Bank genoemd. Onder Deutsche Bank worden haar rechtsvoorgangers begrepen.
1 De zaak in het kort
Na beëindiging van haar kredietrelatie met Deutsche Bank in 2016 heeft Bomo gesteld dat zij en haar rechtsvoorgangers in de loop van die kredietrelatie een miljoenenschade hebben geleden doordat Deutsche Bank haar onvoldoende heeft geïnformeerd.
De rechtbank heeft de vorderingen van Bomo afgewezen. Ook het hof is tot de conclusie gekomen dat de vorderingen van Bomo niet toewijsbaar zijn. Ze stuiten in het bijzonder af op het feit dat ze zijn verjaard.
2 Het geding in hoger beroep
Bomo is bij dagvaarding van 9 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2019, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen Bomo als eiseres en Deutsche Bank als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis en incidentele memorie ex artikel 843a Rv, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, tevens voorwaardelijke incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met producties;
- antwoordmemorie in het voorwaardelijk incident ex artikel 843a Rv.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 21 mei 2021 doen bepleiten, Bomo door haar advocaat en mr. R.H. Kroes, advocaat te Amsterdam, en Deutsche Bank door haar advocaat en mr. R.L. Ubels, advocaat te Amsterdam, steeds aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.
Van haar overgelegde pleitaantekeningen heeft Bomo nr. 1.1 tot en met nr. 6.27, en nr. 8.3 tot en met nr. 8.6 voorgedragen. De overige tekst is in verband met overschrijding van de (verlengde) spreektijd ter zitting niet aan de orde gekomen en het hof heeft van het desbetreffende deel van de pleitaantekeningen dan ook geen kennisgenomen.
Bomo heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak nog producties in het geding gebracht.
Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling gepersisteerd bij hun respectieve incidentele vorderingen ex art. 843a Rv.
Ten slotte is arrest gevraagd.
In de hoofdzaak heeft Bomo geconcludeerd, na vermeerdering van eis, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de renteswap van 27 juni 2008 en de renteswap van 12 januari 2012 zal vernietigen wegens dwaling, voor recht zal verklaren dat Deutsche Bank jegens Bomo toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en/of onrechtmatig althans onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens Bomo heeft gehandeld, Deutsche Bank zal veroordelen tot vergoeding van de door Bomo geleden en te lijden schade c.q. tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 18.473.963,50, vermeerderd met rente, alsmede tot betaling van € 24.302,35 aan buitengerechtelijke kosten, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
In het door haar geopende incident heeft Bomo gevorderd dat Deutsche Bank wordt veroordeeld tot afgifte van bescheiden in de zin van art. 843a Rv.
Deutsche Bank heeft in de hoofdzaak geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten. Voorts heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van Bomo, met beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten. Onder de voorwaarde dat een van de grieven van Bomo slaagt, heeft Deutsche Bank incidenteel gevorderd dat Bomo wordt veroordeeld tot afgifte van bescheiden in de zin van art. 843a Rv.
Bomo heeft geconcludeerd tot afwijzing van de voorwaardelijke incidentele vordering van Deutsche Bank.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten en procesverloop (tevens bespreking van grieven 1-4)
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.18) de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze opsomming wordt door Bomo bestreden, niet alleen door middel van vier als zodanig aangeduide grieven (grieven 1-4) maar ook door middel van door de memorie van grieven verspreide klachten over een verkeerde of lacuneuze weergave van de feiten. Daarbij miskent Bomo dat rov. 2 van het bestreden vonnis slechts strekt tot een opsomming van feiten die tussen partijen vaststaan en die aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag liggen (art. 230 lid 1 onder e Rv), en dus niet tot een opsomming van feiten die niet aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag liggen, noch van feiten waarop Bomo haar vordering baseert en die door Deutsche Bank worden bestreden. In zoverre falen de grieven dan ook.
Voor het overige behoeven de grieven van Bomo met betrekking tot rov. 2 van het bestreden vonnis, voor zover ze al beantwoorden aan de eisen die aan een grief moeten worden gesteld, geen gedetailleerde bespreking omdat Bomo daarbij, in het licht van de rechtsstrijd in hoger beroep, geen belang heeft. Met inachtneming, waar nodig, van de grieven van Bomo over de vaststaande feiten en de reactie van Deutsche Bank daarop, komen de voor de beslissing van het hof relevante vaststaande feiten neer op het volgende.
( i) De heren [X] (hierna: [X] ) en [Y] (hierna: [Y] ) zijn eigenaars van verschillende hotels en horecagelegenheden in [plaats] . Zij zijn bestuurders van Bomo en zij houden ieder 50% van de aandelen in Bomo.
(ii) Van 1992 tot april 2016 heeft tussen [X] en [Y] respectievelijk Bomo enerzijds en Deutsche Bank anderzijds een kredietrelatie bestaan.
(iii) In 2002 hadden [X] en [Y] ten behoeve van hun onderneming een kredietfaciliteit van € 33.300.000 bij Deutsche Bank. De kredietfaciliteit bestond uit een zogenaamde “roll over-lening” van € 26.300.000, die was aangegaan ter financiering van de overname van een hotel, en een rekening-courantkrediet van € 7.000.000. Daarnaast hadden [X] en [Y] in juli 2005 bij Deutsche Bank een twintigjarige roll over-lening van € 7.000.000 (waarop al was afgelost) en een rekening-courant krediet van € 6.000.000. De totale omvang van de kredietfaciliteit van [X] en [Y] per juli 2005 was daarmee € 39.300.000.
(iv) [X] en [Y] hadden hun roll over-leningen afgesloten tegen een variabele rente, verhoogd met een opslag. Ter afdekking van het renterisico op hun leningen hebben [X] en [Y] in november 2005 twee renteswaps met Deutsche Bank (hierna: renteswaps 2005) gesloten.
( v) In januari 2008 hebben [X] en [Y] de renteswaps 2005 beëindigd. De positieve waarde van € 765.000 en € 150.000 is in februari 2008 door Deutsche Bank uitgekeerd.
(vi) [X] en [Y] hebben op 27 juni 2008 een nieuwe renteswap met Deutsche Bank (hierna: renteswap 2008) gesloten voor een vaste hoofdsom van € 26.300.000 met een looptijd van 10 jaar ingaande 1 juli 2008.
(vii) In oktober 2009 is de kredietfaciliteit van [X] en [Y] bij Deutsche Bank verhoogd naar ruim € 50.000.000 in totaal. Daarbij werden de aflossingstermijn betreffende de lening van € 26.300.000 verlengd en de opslag op de rente verhoogd.
(viii) Eind 2009/begin 2010 heeft Deutsche Bank, naar aanleiding van een verzoek van [X] en [Y] over mogelijkheden om de renteswap 2008 aan te passen om lagere rentelasten te krijgen, onder meer gewezen op het feit dat bij voortijdige beëindiging van de renteswap 2008 een negatieve waarde daarvan zou moeten worden afgerekend. Tijdens een presentatie van 13 januari 2010 heeft Deutsche Bank [X] en [Y] erop gewezen dat de renteswap 2008 een negatieve waarde had.
(ix) In december 2010 heeft Bomo de schuld uit hoofde van onder meer de lening van € 26.300.000 van [X] en [Y] overgenomen. Bij akte van 16 februari 2011 heeft Bomo alle rechten en plichten uit hoofde van renteswap 2008 van [X] en [Y] overgenomen.
( x) De looptijd van renteswap 2008 is op 12 januari 2012 met 3,5 jaar verlengd tot 1 februari 2022. De roll over-lening van € 26.300.000 is op 29 april 2013 opgegaan in een nieuwe kredietfaciliteit van totaal € 39.600.000. De rente-opslag werd daarbij per 1 januari 2013 verhoogd naar 2,5%.
(xi) Op verzoek van Bomo zijn de kredietrelatie met Deutsche Bank en de lopende renteswap per eind april 2016 beëindigd. De renteswap had toen een negatieve waarde van € 7.380.000, die Bomo aan Deutsche Bank heeft betaald.
(xii) Bij brief van 20 december 2016 heeft de advocaat van Bomo en [X] en [Y] Deutsche Bank aansprakelijk gesteld voor de schade die Bomo en [X] en [Y] geleden zouden hebben als gevolg van – kort gezegd – (de advisering over) het afsluiten van de renteswap 2008 en de verlenging daarvan in 2012. Deutsche Bank heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
Bomo heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat Deutsche Bank haar zorgplicht jegens [X] en [Y] heeft geschonden, als gevolg waarvan [X] en [Y] en Bomo schade hebben geleden. [X] en [Y] zouden onvoldoende zijn geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de eigenschappen van de renteswaps en de daaraan verbonden risico’s en Deutsche Bank zou onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van [X] en [Y] . Deutsche Bank had [X] en [Y] en – toen de renteswap 2008 werd verlengd – ook Bomo moeten waarschuwen dat de renteswap een voor hen ongeschikt product was.
Deutsche Bank heeft de vorderingen van Bomo bestreden.
De rechtbank heeft de vorderingen van Bomo afgewezen. Tegen de beslissing en de motivering ervan komt Bomo in dit hoger beroep met zestien grieven op. Bij gelegenheid van haar memorie van grieven heeft Bomo haar eis vermeerderd en tevens gevorderd dat de renteswap 2008 – en daarom ook de aanpassing daarvan in 2012 – wordt vernietigd en dat Deutsche Bank wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 18.473.963,50, met rente.
Deutsche Bank heeft zich tegen de eisvermeerdering niet verzet. Het hof zal recht doen op de vermeerderde eis.