Gerechtshof Amsterdam, 21-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4046, 200.269.911/01
Gerechtshof Amsterdam, 21-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4046, 200.269.911/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 december 2021
- Datum publicatie
- 1 februari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4046
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:19
- Zaaknummer
- 200.269.911/01
Inhoudsindicatie
renteswapovereenkomst, gestelde tekortkomingen van de bank, verjaring (HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603).
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.269.911/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/651726 / HA ZA 18-757
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 december 2021
inzake
1 [X] B.V.,
2. [X] HOUDSTER B.V.,
3. [X] 'T ZAND B.V.,
4. VARIETY B.V.,
alle gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellanten,
advocaat: mr. H.J. Bos te Haarlem,
tegen:
DEUTSCHE BANK A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
mede kantoorhoudende te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] (appellante onder 3: Mak ’t Zand) en Deutsche Bank genoemd. Onder Deutsche Bank worden haar rechtsvoorgangers ABN AMRO Bank NV, HBU II NV en Deutsche Bank Nederland NV begrepen.
1 De zaak in het kort
[appellanten] stellen in de kern dat Deutsche Bank een bestaande kredietverhouding met hen sinds 2008 steeds verder heeft beperkt, met onvoldoende kennis van en inzicht in het bedrijf van [appellanten] en de branche waarin [appellanten] opereren, en met de wens om zo snel mogelijk van [appellanten] af te komen. De opstelling van Deutsche Bank heeft [appellanten] genoodzaakt hun onderneming af te bouwen en essentiële bedrijfsonderdelen te verkopen. Uiteindelijk is de kredietverhouding tussen partijen beëindigd, maar niet dan met grote schade voor [appellanten] vinden dat Deutsche Bank deze schade moet vergoeden.
Volgens Deutsche Bank zijn de verwijten van [appellanten] ongegrond. [appellanten] hebben een moeilijke periode doorgemaakt, waarin de continuïteit van de onderneming op het spel stond, de schulden [appellanten] boven het hoofd dreigden te groeien, en saneringen noodzakelijk waren. Als kredietverstrekker was Deutsche Bank hierbij nauw betrokken, maar zij heeft zorgvuldig en steeds ook met oog voor de belangen van [appellanten] gehandeld. Deutsche Bank heeft de kredietrelatie met [appellanten] niet opgezegd, maar deze is in goed overleg beëindigd. [appellanten] hebben zich pas jaren later beklaagd. Er kan volgens Deutsche Bank geen sprake zijn van enige schadevergoedingsvordering, en als dat anders zou zijn, dan is zo’n vordering in elk geval verjaard.
2 Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 9 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen (onder meer) [appellanten] als eiseressen in conventie tevens verweersters in reconventie en Deutsche Bank als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 juni 2021 doen bepleiten, [appellanten] door hun advocaat en mr. D.H.S. Hulsewé, advocaat te Haarlem, Deutsche Bank door mr. B. Wijnstekers en mr. K. Heesterbeek, advocaten te Amsterdam. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, na wijziging van eis, dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – (i) de “settlement clausule” in de overeenkomst van 14 november 2014 zal vernietigen, (ii) zal verklaren voor recht dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellanten] en/of onrechtmatig althans onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens [appellanten] heeft gehandeld, door (a) [appellanten] twee renteswaps te adviseren en te verkopen, (b) het aan [appellanten] verstrekte krediet te herstructureren onder het verstrekken van een rekening-courantlening van € 2,8 miljoen met zeer hoge opslagen en het bedingen van aanzienlijke extra zekerheden, (c) het krediet continu te verminderen zonder enige kennis van zaken van de sector waarin [appellanten] opereert, (d) [appellanten] op grond van de strategische heroriëntatie gedwongen te laten aflossen op een zo kort mogelijke termijn, (e) [appellanten] te forceren om de gronden waarop zij hun bloemen teelden te verkopen, (f) de van [appellanten] ontvangen gelden als eerste ten laste van het rekening-courantbasiskrediet te brengen en de dure leningen aan [appellanten] te laten doorlopen, (g) [appellanten] de volledige negatieve waarde van de renteswap te laten betalen, (iii) Deutsche Bank zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellanten] geleden en te lijden schade, waaronder de buitengerechtelijke kosten van [appellanten] , welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is geleden tot de dag der algehele voldoening, en (iv) Deutsche Bank zal veroordelen tot betaling van schade ter grootte van de behandelingsfees, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
Deutsche Bank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.