Home

Gerechtshof Amsterdam, 21-09-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4428, 20/00496

Gerechtshof Amsterdam, 21-09-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4428, 20/00496

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21 september 2021
Datum publicatie
11 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:4428
Formele relaties
Zaaknummer
20/00496

Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Woonwagen.

Uitspraak

Kenmerk 20/00496

21 september 2021

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 19/6577 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2018 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak bekend als [adres] te [Z] (hierna: het object) op de waardepeildatum 1 januari 2017 voor het kalenderjaar 2018 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 422.000. In hetzelfde geschrift zijn voor het kalenderjaar 2018 ook de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: de aanslag OZB) en de aanslag rioolheffing eigenaren (hierna: de aanslag rioolheffing) voor het object bekendgemaakt.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 12 november 2019, voor zover van belang ten aanzien van het object de waardebeschikking, de aanslag OZB en de aanslag rioolheffing gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 augustus 2020 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en – naar het Hof verstaat – de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze de WOZ-waarde van het object en de aanslag OZB betreft, en de uitspraak op bezwaar bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag rioolheffing. De rechtbank heeft de WOZ-waarde van het object verlaagd tot € 118.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 47 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 september 2020. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn op 9 april 2021 nadere stukken ontvangen. Van de heffingsambtenaar zijn op 9 juli 2021 nadere stukken ontvangen. Deze stukken zijn over en weer aan partijen verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. [adres] betreft een stuk grond met een opstal, een woonwagen. [X] is de

(mede-)eigenaar van de grond. De oppervlakte van de grond is ongeveer 675 m2. Ook staat er een berging op het perceel.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.2.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende onder andere het volgende verklaard:

“De woonwagen is weliswaar voorzien van wielen, maar kan niet zomaar worden weggereden. De woonwagen is destijds, ongeveer 35 jaar geleden, aangevoerd met een dieplader, waar de woonwagen niet vanaf is getakeld, maar vanaf is gereden. In twee delen van 6 meter is de woonwagen aangevoerd, waarna de twee delen aan elkaar zijn bevestigd. Als de woonwagen ooit verwijderd wordt moet dat op dezelfde manier gebeuren; in twee delen en met een dieplader. Vanwege de tocht zit er beplating rondom de woonwagen, waarmee de ruimte tussen de onderkant van de woonwagen en de grond is afgedicht. Die beplating wordt er in de zomer niet afgehaald, die blijft het gehele jaar zitten. Om de woonwagen te kunnen betreden is een tegelpad aangelegd en voor de gezelligheid is er ook een tuin.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de WOZ-waarde van de het object niet te hoog is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de aanslag OZB en de aanslag rioolheffing terecht en - voor zover het de onroerendezaakbelasting betreft - tot het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing