Gerechtshof Amsterdam, 24-05-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1565, 200.280.902/01
Gerechtshof Amsterdam, 24-05-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1565, 200.280.902/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 mei 2022
- Datum publicatie
- 3 juni 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1565
- Zaaknummer
- 200.280.902/01
Inhoudsindicatie
Tussenarrest.
Onrechtmatige daad bank. Inhouding uitkering uit levensverzekering met beroep op een niet-gevestigd pandrecht. Hof wil verduidelijking over de gestelde schade.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.280.902/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/657941 / HA ZA 18-1214
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 mei 2022
inzake
[appellante] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellante,
tevens geïntimeerde in het voorwaardelijke incidentele appel,
advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam,
tegen
VAN LANSCHOT KEMPEN WEALTH MANAGEMENT N.V.,
gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, mede kantoorhoudende te Amsterdam,
geïntimeerde,
tevens appellante in het voorwaardelijke incidentele appel,
advocaat: mr. F.M.A. ’t Hart te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellante] en Van Lanschot genoemd.
1 De zaak in het kort
Van Lanschot heeft de voldoening van een vordering op de insolvente vennootschap Oberon BV verzekerd door een borgtocht van de (overleden) ex-echtgenoot van [appellante] , door hypotheekrechten ten laste van een aan [appellante] toebehorend registergoed en, naar Van Lanschot stelt, door een pandrecht op een aan [appellante] toekomende uitkering krachtens een verzekeringsovereenkomst op het leven van de ex-echtgenoot van [appellante] . Nadat de vordering van Van Lanschot was voldaan uit de uitkering krachtens de levensverzekeringsovereenkomst, heeft Van Lanschot de hypotheekrechten ten laste van het registergoed van [appellante] doorgehaald en heeft [appellante] het registergoed verkocht. [appellante] stelt in deze procedure dat de uitkering krachtens de levensverzekeringsovereenkomst niet aan Van Lanschot was verpand, dat zij er niet mee heeft ingestemd dat Van Lanschot zich op die uitkering verhaalde en dat zij door het onterechte verhaal op de uitkering schade heeft geleden. Van Lanschot zou die schade aan haar moeten vergoeden.
2 Het geding in hoger beroep
Bij appeldagvaarding van 22 april 2020 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2020, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Van Lanschot als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- -
-
memorie van grieven, met producties;
- -
-
memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;
- -
-
akte uitlating producties in principaal appel, tevens memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 december 2021 mondeling laten toelichten door hun advocaten, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte hebben partijen uitspraak van het hof gevraagd.
In het principale hoger beroep heeft [appellante] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog Van Lanschot zal veroordelen tot betaling van € 734.076, met rente, en tot terugbetaling van de voldane proceskosten van de eerste instantie, met veroordeling van Van Lanschot in de kosten van de procedure in beide instanties, met nakosten en rente.
Van Lanschot heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep. Ook in het voorwaardelijke incidentele appel concludeert Van Lanschot tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, zij het met verbetering van gronden, en tot veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [appellante] concludeert daarin tot verwerping van de grief van Van Lanschot, met – uitvoerbaar bij voorraad − veroordeling van de laatste in de proceskosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.14) de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en binden dus ook het hof.
Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de vaststaande feiten, voor zover in dit hoger beroep relevant, neer op het volgende.
( i) [X] (hierna: [X] ) is de ex-echtgenoot van [appellante] . Tussen [X] en Van Lanschot heeft een kredietrelatie bestaan.
(ii) Op 25 oktober 2004 heeft [X] een verzekering op zijn leven gesloten bij Legal & General Nederland Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Legal & General), onder polisnummer [nummer] . De uitkering krachtens deze verzekering bedroeg bij overlijden € 1,3 miljoen. [appellante] was aangewezen als eerste begunstigde.
[X] heeft de rechten uit deze levensverzekering verpand aan Van Lanschot, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van [X] te vorderen heeft of te vorderen mocht hebben (hierna: het eerste pandrecht). Bij brief van 14 maart 2005 heeft Van Lanschot deze verpanding aan Legal & General meegedeeld.
(iv) Ter financiering van de toenmalige echtelijke woning van [X] en [appellante] , heeft Van Lanschot op 29 september 2008 een lening van afgerond € 3.144.000 verstrekt aan Oberon Holding B.V. (hierna: Oberon), de persoonlijke houdstermaatschappij van [X] . Tot zekerheid van de aflossing van deze lening aan Oberon zijn de volgende zekerheden overeengekomen:
1. een eerste hypotheekrecht ten laste van de echtelijke woning van [X] en [appellante] ;
2. een eerste hypotheekrecht ten laste van het registergoed “ [naam registergoed] ” te [plaats] (hierna: [naam registergoed] );
3. een tweede hypotheekrecht ten laste van [naam registergoed] ;
4. een borgtocht van [X] ;
5. een pandrecht ten laste van de vordering van [X] uit diens levensverzekering bij Legal & General.
( v) In de akte waarbij [X] de vordering uit zijn levensverzekering bij Legal & General tot zekerheid voor de voldoening van de schuld van Oberon verpandde (zie hiervoor, onder (iv)5; hierna: het tweede pandrecht), staat dat [X] tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van Oberon te vorderen heeft of te vorderen mocht hebben, alle rechten verpandt welke voor [X] voortvloeien uit de tussen hem en Legal & General gesloten verzekeringsovereenkomst met polisnummer [nummer] .
(vi) Medio 2013 zijn [appellante] en [X] gescheiden. [naam registergoed] is aan [appellante] toegedeeld. De echtelijke woning is kort voor de echtscheiding verkocht. De opbrengst was onvoldoende om de leenschuld aan Van Lanschot te voldoen. Ter herfinanciering van de resterende schuld heeft Oberon op 5 december 2013 een kredietovereenkomst gesloten met een kredietlimiet van afgerond € 1.020.000. Tot zekerheid van de voldoening van deze schuld van Oberon zijn partijen overeengekomen dat het eerste en tweede hypotheekrecht op [naam registergoed] worden gehandhaafd, dat de rechten uit de levensverzekeringspolis van [X] bij Legal & General aan Van Lanschot worden verpand en dat [X] zich opnieuw borg stelt voor een bedrag van € 1.100.000.
(vii) Bij brief van 17 maart 2015 heeft Legal & General aan Van Lanschot bericht dat de verzekering met polisnummer [nummer] , waarvan de vorderingen zijn verpand aan Van Lanschot, zijn gesplitst in een beleggingsverzekering met polisnummer [nummer] en een overlijdensrisicoverzekering met polisnummer [nummer] . In verband met het pandrecht zijn de originele polissen aan Van Lanschot gestuurd.
(viii) Op [overlijdensdatum] 2016 is [X] overleden.
(ix) Bij brief van 11 november 2016 heeft Van Lanschot Legal & General verzocht om de uitkering van de gehele polis naar haar over te maken.
( x) Omstreeks 21 november 2016 heeft Van Lanschot het eerste pandrecht uitgewonnen voor een veronderstelde schuld van [X] aan Van Lanschot in rekening-courant van € 48.296,26. Ook heeft Van Lanschot verhaal genomen voor de openstaande schuld van Oberon van € 734.076. Het meerdere à € 517.627,74 heeft Van Lanschot aan [appellante] uitgekeerd. De hypotheekrechten op [naam registergoed] zijn daarna doorgehaald en [appellante] heeft [naam registergoed] vrij van hypotheekrechten verkocht. De opbrengst was hoger dan € 734.076.
(xi) Omdat is gebleken dat de rekening-courant tussen [X] en Van Lanschot op het moment van uitwinning van het eerste pandrecht een batig saldo ten gunste van [X] had, heeft Van Lanschot het uitgewonnen bedrag van € 48.296,26, vermeerderd met wettelijke rente, aan [appellante] als begunstigde onder de polis voldaan.
[appellante] vordert, kort gezegd en voor zover in dit hoger beroep relevant, dat Van Lanschot wordt veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 734.076, vermeerderd met de wettelijke rente. Zij stelt dat de vordering uit de levensverzekeringsovereenkomst, bij gebreke van een mededeling aan Legal & General, niet belast is geweest met een pandrecht tot zekerheid voor de voldoening van de schuld van Oberon. Ze betwist dat ze ermee heeft ingestemd dat Van Lanschot niettemin haar vordering op Oberon met de uitkering van Legal & General verrekende. Van Lanschot had de uitkering van Legal & General dan ook op de voet van art. 3:253 BW aan haar moeten uitkeren, aldus [appellante] . Subsidiair stelt [appellante] dat Van Lanschot door de verrekening onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en daarom haar schade, die zij begroot op € 734.076, moet vergoeden.
Van Lanschot heeft aangevoerd dat haar vordering op Oberon wel degelijk door een pandrecht was verzekerd, althans dat [appellante] met verrekening van de schuld van Oberon met de uitkering van Legal & General heeft ingestemd, met de bedoeling te voorkomen dat de hypotheekrechten ten laste van [naam registergoed] zouden worden geëxecuteerd. Voorts stelt Van Lanschot dat de vordering van [appellante] afstuit op het feit dat zij geen schade heeft geleden omdat Van Lanschot haar hypotheekrechten op [naam registergoed] zou hebben uitgewonnen als haar vordering niet met de uitkering uit de levensverzekeringsovereenkomst was verrekend, althans dat [appellante] ongerechtvaardigd wordt verrijkt als Van Lanschot haar € 734.076 zou moeten betalen.
De rechtbank heeft de vordering van [appellante] tot betaling van € 734.076 afgewezen. Ze heeft wél geoordeeld (en voor recht verklaard) dat de executie en verhaalsneming door Van Lanschot voor de niet bestaande vordering van € 48.296,26 onrechtmatig is geweest jegens [appellante] , maar ook dat de schade die [appellante] door die onrechtmatige daad heeft geleden, volledig door Van Lanschot is vergoed. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering uit de levensverzekeringsovereenkomst niet belast is geweest met een tweede pandrecht ten gunste van Van Lanschot, maar dat [appellante] wel met Van Lanschot heeft afgesproken dat de laatste haar vordering op Oberon met de uitkering uit de levensverzekeringsovereenkomst zou verrekenen en dat de vordering van [appellante] op die afspraak afstuit.