Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1683, 21/00440
Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1683, 21/00440
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 mei 2022
- Datum publicatie
- 8 juni 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1683
- Zaaknummer
- 21/00440
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag parkeerbelasting; vergoeding griffierecht rechtbank; procesreglement bestuursrecht rechtbanken; proceskostenvergoeding.
Uitspraak
kenmerk 21/00440
11 mei 2022
vijfde meervoudige belastingkamer
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer
tegen de uitspraak in de zaak met het kenmerk AMS 20/5138 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 17 juni 2021 in het geding tussen
belanghebbende
en
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2022. Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. De gemachtigde heeft deelgenomen aan de zitting door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. De heffingsambtenaar is met bericht van verhindering niet verschenen.
Het Hof:
- -
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- -
-
verklaart de rechtbank onbevoegd;
- -
-
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 759;
- -
-
gelast de griffier van het Hof aan belanghebbende het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 48 (rechtbank) en € 134 (Hof), in totaal € 182 te vergoeden, en
- -
-
beslist dat, indien de proceskostenvergoeding en griffierechten niet tijdig aan belanghebbende zijn vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van het Hof is gedaan.
Gronden
1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 4 maart 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 januari 2017 de zaak terugverwezen naar de heffingsambtenaar.
2. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 14 juli 2020 verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft bij brief van 11 september 2020 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het verzoek om schadevergoeding.
3. De rechtbank heeft zich bij haar uitspraak van 17 juni 2021 onbevoegd verklaard.
4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 juni 2021 en is nader aangevuld bij brief van 16 maart 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
5. Belanghebbende voert aan dat de rechtbank heeft nagelaten om het griffierecht te vergoeden. Belanghebbende beroept zich op het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (hierna: het procesreglement). Hierin is opgenomen dat het griffierecht wordt terugbetaald indien de rechtbank griffierecht heeft geheven en zich onbevoegd heeft verklaard.
6. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het griffierecht niet heeft terugbetaald aan belanghebbende en dat daarom het hoger beroep van belanghebbende slaagt.
Slotsom
7. De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.
Kosten
Aangezien belanghebbende hoger beroep moest instellen tegen de uitspraak van de rechtbank, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit. Voor het onderhavige geval zijn dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op 2 punten (1 punt hogerberoepschrift en 1 punt bijwonen zitting) x € 759 x 0,5 (wegingsfactor parkeerbelastingzaken conform richtsnoer Hof Den Bosch) = € 759.
De mondelinge uitspraak is gedaan op 11 mei 2022 door mrs. N. Djebali, voorzitter van de belastingkamer, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.