Gerechtshof Amsterdam, 26-07-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2189, 200.290.084/01
Gerechtshof Amsterdam, 26-07-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2189, 200.290.084/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 juli 2022
- Datum publicatie
- 9 september 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2189
- Zaaknummer
- 200.290.084/01
Inhoudsindicatie
Geschil tussen (voormalig) bestuurders van een stichting. Toetsing aan artikel 2:298 (oud) BW in verband met ontslag. Regels verzoekschriftprocedures. Belanghebbenden hebben ingevolge artikel 362 Rv niet het recht voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek te doen.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.290.084/01
zaak- en rekestnummer rechtbank Amsterdam: C/13/683454 / HA RK 20-144
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 juli 2022
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [appellante] ,
appellante in het principale hoger beroep,
tevens belanghebbende in het incidentele hoger beroep,
advocaat: mr. W. Albers te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 3] ,
[geïntimeerde 4] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 4] ,
[geïntimeerde 5] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 5] ,
[geïntimeerde 6] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 6] ,
belanghebbenden in het principale hoger beroep,
appellanten in het incidentele beroep,
gezamenlijk te noemen: de voormalig bestuurders,
advocaat: mr. O.J. Hennis te Amsterdam,
en tegen
STICHTING BEHEER [stichting] EN HET RUIGE RIET,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de stichting,
belanghebbende in het principale hoger beroep,
tevens appellante in het incidentele hoger beroep,
advocaat: mr. W. Albers te Amsterdam.
1 De zaak in het kort
Aan dit geschil ligt ten grondslag dat [appellante] stelt dat zij als bestuurder van de stichting door de andere bestuurders feitelijk is buitengesloten, waardoor het haar onmogelijk is gemaakt het belang van de stichting te behartigen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als bestuurder van de stichting, in strijd met de statuten, geld van de bankrekening van de stichting naar zichzelf hebben overgemaakt. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het verzoek van [appellante] om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als bestuurder van de stichting te ontslaan dient te worden toegewezen. Het hof moet onder meer beslissen of aan de criteria van artikel 2:298 BW voor ontslag van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is voldaan. Het hof komt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.
2 Het geding in hoger beroep
[appellante] is op 11 februari 2021 bij beroepschrift met producties in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 12 november 2020 onder bovenvermeld zaak- en rekestnummer heeft gegeven tussen enerzijds [appellante] als verzoekster en anderzijds [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] en de stichting als verweerders. [appellante] heeft daarbij verzocht:
De grieven als gegrond te accepteren, en rechtdoende:
Primair:
1. [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] [ [geïntimeerde 6] , hof] als bestuurders te ontslaan en afgifte van alle bescheiden en bezittingen van de stichting: bankpassen en inlogscanner, bedrijfskleding en sleutels, inloggegevens website en multimedia;
Subsidiair:
2. Afgifte van de bescheiden, betreffende bankafschriften in de periode waarin [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bestuurder is geweest, en waarin subsidies zijn uitgekeerd en uitgegeven, op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag met een maximum van € 25.000,00.
Zowel primair als subsidiair,
3. Onder veroordeling van [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] in de proceskosten.
De voormalig bestuurders hebben op 1 februari 2022 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties ingediend. Zij hebben daarbij in het principale hoger beroep verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten, en in het incidentele hoger beroep:
I. Primair:
a. het verzoek van [appellante] blijkens sub III van de beschikking om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als bestuurders te ontslaan af te wijzen;
b. voorwaardelijk (want alleen indien en voor zover uw Hof het primair sub a. verzochte zal toewijzen): het verzoek van [appellante] blijkens sub IV van de beschikking om [appellante] te benoemen als bestuurder van de Stichting af te wijzen;
II. Subsidiair:
het bestuursverbod ex artikel 2:298 lid 3 BW op te heffen;
III. Zowel primair als subsidiair:
[appellante] te veroordelen in de kosten van het geding, zowel beide instanties en haar te veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten – voor zover voldaan – uit eerste aanleg.
Voorts hebben de voormalig bestuurders het hof verzocht de gemeente [gemeente] als belanghebbende op te roepen.
De stichting heeft op 28 februari 2022 een “Akte tevens verweerschrift zijdens [stichting] , tevens zelfstandig verzoek” met producties ingediend. Zij heeft daarbij verzocht:
De [stichting] verzoekt uw Hof te bepalen:
Dat de gelden van de bestuursleden ter grootte van € 1.200 hoofdelijk zullen moeten worden terugbetaald door de bestuursleden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
Dat de gelden die onterecht zijn gemaakt voor [x] € 5.025 en vrijwilligersvergoeding € 400,00 zullen worden terugbetaald door [geïntimeerde 1] .
Dat de bestuursleden [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] [ [geïntimeerde 6] , hof] net als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden ontslagen als bestuurders met terugwerkende kracht.
Dat het gehele oude bestuur verweerders 1tot en met 6, derhalve exclusief [appellante] , hoofdelijk wordt verplicht tot een overdracht zoals verzocht door het nieuwe bestuur op straffe van een dwangsom van € 250 euro per dag met een maximum van € 25.000,00.
[appellante] en de voormalig bestuurders hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 maart 2022. Bij die gelegenheid hebben namens [appellante] en de stichting mr. Albers voornoemd en mr. N. Muslem, advocaat te Amsterdam, aan de hand van pleitnotities het woord gevoerd, en namens de voormalig bestuurders mr. Hennis voornoemd, eveneens aan de hand van pleitnotities. De pleitnotities zijn aan het hof overgelegd. Tevens hebben partijen vragen van het hof beantwoord. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is namens [appellante] een V8-formulier ingediend en namens de voormalig bestuurders een verweerschrift (tegen het onder 2.3 genoemde processtuk van de stichting) en zijn door de voormalig bestuurders en door [appellante] nog producties in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat het gebruik van de naam “ [geïntimeerde 6] ” door [appellante] en de stichting op een kennelijke vergissing berust en dat daarmee [geïntimeerde 6] is bedoeld. Het hof zal dit verbeterd lezen.
Op 16 maart 2022 heeft op verzoek van partijen ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Deze had het beproeven van een minnelijke regeling tussen partijen tot doel. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.
Daarna hebben partijen op 19 en 21 april 2022 nog correspondentie gevoerd met het hof over stukken die al dan niet tot het procesdossier zouden behoren.
Ten slotte is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is nader bepaald op heden.
3 Feiten
De rechtbank heeft in de bestreden beslissing onder 2.1 tot en met 2.14 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Die feiten zijn deels in geschil. Het hof heeft daarmee bij de feitenvaststelling rekening gehouden. De vaststaande feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.
De stichting heeft onder meer tot doel het behoud en (mede) beheer van de [stichting] , gelegen in het stadsdeel [stadsdeel] . Blijkens de oprichtingsakte van de stichting van 25 februari 2016 zijn, voor zover hier van belang, de volgende statuten voor de stichting vastgesteld:
(...)
Bestuur: samenstelling, wijze van benoemen
Artikel 3
(...)
5. De bestuurders ontvangen geen beloning voor hun werkzaamheden.
Zij hebben wel recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten.
(...)
Boekjaar en jaarstukken
Artikel 9
(...)
2. 2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend.
3. 3. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de stichting te maken, op papier te stellen en vast te stellen.
Op enig moment hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , die toen bestuurder van de stichting waren, zichzelf een vergoeding toegekend van ieder € 1.200,-. [appellante] , die destijds eveneens bestuurder van de stichting was, is daarin niet gekend en tot april 2019 is deze uitkering voor haar verborgen gehouden.
In april 2019 heeft [appellante] een “overzicht mutaties Triodosbank” d.d. 19 april 2019 ontvangen dat is opgesteld door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . In dat overzicht is onder meer vermeld:
21-2-2017 4.500,00 Credit [gemeente] (...)
(...)
23-5-2018 1.200 Debet [geïntimeerde 1] bestuurdersvergoeding 2017
(...)
22-12-2018 1.200 Debet [geïntimeerde 2] bestuurderskosten vergoeding 2017
(...)
[appellante] heeft vanaf april 2019 bij herhaling aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] verzocht om de bankafschriften van De [stichting] te mogen inzien.
Volgens de voormalig bestuurders is [appellante] op 19 mei 2019 rechtsgeldig als bestuurder van de stichting ontslagen.
Een conceptverslag getiteld “Kascontrole stichting [stichting] ” van 13 juli 2019 betreffende de jaren 2016 tot en met 2018, opgemaakt door de kascommissie bestaande uit [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bevat, voor zover hier van belang, de volgende tekst:
Constateringen
(...)
3. (...) 3. (...) het is] onmogelijk om uitspraken te doen over of alles volgens de gangbare regels heeft plaatsgevonden. Controle op ontvangen subsidies, bestedingen en (terug)betalingen is niet mogelijk geweest. Er is geen administratie van een huishoudpot overlegd.
(...)
5. De statuten stipuleren expliciet dat bestuurders geen vergoeding krijgen voor hun werkzaamheden. Er is geen verslaglegging overlegd van de gronden waarop het bestuur klaarblijkelijk heeft gemeend dat toekenning van een vrijwilligersvergoeding niet in tegenspraak is met deze bepaling (artikel 3, lid 5), noch van een bestuursbesluit deze vergoedingen daadwerkelijk toe te kennen.
(...)
9 Het bestuur niet voldaan heeft aan de in de statuten (artikel 9) opgenomen verplichtingen voor het voeren van een administratie.
In het definitieve verslag van 15 juli 2019 dat de kascommissie twee dagen later heeft vastgesteld, zijn voormelde constateringen niet opgenomen.
Op 21 september 2019 zijn [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] toegetreden tot het bestuur van de stichting.
In een e-mail van 20 november 2019 hebben medewerkers van het stadsdeel [stadsdeel] onder meer het volgende aan [appellante] geschreven over de betaling aan de stichting van € 4.500,- (genoemd in het overzicht van 19 april 2019, bedoeld onder 3.3 hiervoor):
Aan de orde kwam de factuur die het stadsdeel aan de [stichting] heeft betaald na het vervullen van een opdracht (tot het maken van een beheerplan). Later ben je erachter gekomen dat sommigen, waaronder twee bestuursleden, vermoedelijk op deze grond geld voor verricht werk hebben ontvangen. (...)
Wij als gemeente hebben daar geen rol in. Wij (...) doen (...) steeds ons best om te toetsen of geld goed wordt besteed: facturen worden pas betaald – en subsidies worden pas vastgesteld – na bewezen levering van overeengekomen product of dienst of realisatie van een afgesproken resultaat. (...)
De rechtbank heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] per 12 november 2020 als bestuurders van de stichting ontslagen, en [appellante] tot bestuurder van de stichting benoemd. Vanaf dat moment vormden [appellante] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] samen het bestuur van de stichting.
Op 26 januari 2021 is [geïntimeerde 6] toegetreden tot het bestuur van de stichting.
In de loop van de procedure in hoger beroep (te weten per 29 april 2021) zijn [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] als bestuurders van de stichting teruggetreden. Het bestuur van de stichting wordt op dit moment gevormd door [appellante] en [naam 4] (hierna: [naam 4] ).