Gerechtshof Amsterdam, 04-01-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:22, 200.296.331/01
Gerechtshof Amsterdam, 04-01-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:22, 200.296.331/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 januari 2022
- Datum publicatie
- 18 oktober 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:22
- Zaaknummer
- 200.296.331/01
Inhoudsindicatie
omgangsregeling op geleide van de GI.
Uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.296.331/01
Zaaknummer rechtbank: C/15/279466 / FA RK 18-5441
Beschikking van de meervoudige kamer van 4 januari 2022 inzake
[de man] ,
in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerd zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, verblijvende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar,
en
[de vrouw] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. de Haan te Almere.
Als belanghebbende is aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
Als informant is aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Alkmaar (hierna ook te noemen: de GI).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), van 24 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 23 juni 2021 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 24 maart 2021.
De vrouw heeft op 19 augustus 2021 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts ingekomen:
- een brief van de GI van 13 september 2021, ingekomen op 16 september 2021;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 juli 2021 met bijlage, ontvangen op 13 juli 2021;
- een brief van de GI van 15 november 2021 met bijlage, ingekomen op 16 november 2021.
De mondelinge behandeling heeft op 17 november 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en A. Hairan, tolk in de taal Urdu;
- de advocaat van de vrouw;
- de raad, vertegenwoordigd door W.R. Daalderop.
De vrouw is niet in persoon op de mondeling behandeling verschenen. De GI is, met bericht van afmelding, evenmin op de mondelinge behandeling verschenen.
3 De feiten
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de man en de vrouw is geboren:
- [minderjarige] , [in] 2017 te [geboorteplaats] , België.
De vrouw is alleen belast met het gezag over [minderjarige] .
Partijen zijn in februari 2017 vanuit Nederland naar België verhuisd.
In april 2018 is de vrouw met [minderjarige] vanuit België naar Nederland verhuisd. De vrouw verblijft met [minderjarige] op een geheim adres.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening [minderjarige] aan de vrouw toevertrouwd en is een zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat de man en [minderjarige] minimaal een uur per week onder begeleiding van een derde omgang met elkaar hebben.
Bij vonnis in kort geding van 24 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld binnen twee dagen na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling, zoals vastgesteld in de beschikking van 2 augustus 2018, in die zin dat de man wekelijks op vrijdag van 11.00 uur tot 12.00 uur [minderjarige] zal zien, onder begeleiding van een door de vrouw aan te wijzen derde en op een door haar aan te wijzen locatie in de regio [plaats B] , respectievelijk [plaats C] zodra zij weer verhuist, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Bij beschikking van 10 december 2018 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening, met wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van 2 augustus 2018, bepaald dat het recht van de man op omgang met [minderjarige] wordt geschorst hangende een beslissing hierover in de bodemprocedure. Daarnaast is de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag of het belang van [minderjarige] zich tegen een omgangsregeling verzet en, zo niet, met welke regeling [minderjarige] het beste af is, en naar de vraag – indien door de raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht – wie aan die begeleiding uitvoering zal geven.
Bij beschikking van 16 april 2019 heeft de rechtbank de raad in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure verzocht aanvullend onderzoek te doen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en het gezag in de bodemprocedure.
Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 in de procedure die tot de bestreden beschikking heeft geleid is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is de vrouw alleen belast met het gezag over [minderjarige] . Verder zijn de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] afgewezen en is het verzoek van de man met betrekking tot het vaststellen van een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling aangehouden in afwachting van de hulpverlening van Spirit. Daarbij is de raad verzocht de rechtbank nader te adviseren over de omgang.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 5 oktober 2020 is [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van de rechtbank van 27 september 2021 tot 5 april 2022 is verlengd.
Dit hof heeft bij beschikking van 22 juni 2021 de beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.