Gerechtshof Amsterdam, 16-05-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1502, 200.303.081/01
Gerechtshof Amsterdam, 16-05-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1502, 200.303.081/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 mei 2023
- Datum publicatie
- 28 juni 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1502
- Zaaknummer
- 200.303.081/01
Inhoudsindicatie
Art. 47 Fw. Betaling aan een van de aanvragers van een faillissement met gelden die door derden zijn verstrekt aan de later failliet verklaarde vennootschap. Vraag of de schuldeisers van die vennootschap nadeel is toegebracht, of alleen een voordeel is ontgaan. Persoonlijke aansprakelijkheid curator. De aanvrager van het faillissement, aan wie is betaald, was curator in een ander faillissement. De curator aanvaardde de betaling, in de wetenschap dat deze blootstond aan vernietiging in het geval het faillissement zou worden uitgesproken en dat de boedel waarvan hij curator was, het ontvangen bedrag niet zou kunnen terugbetalen vanwege de rangorde van de boedelvorderingen.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.303.081/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/689032 / HA ZA 20-893
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 mei 2023
inzake
mr. [appellante] en mr. [appellant],
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van
[X] B.V. (hierna: [X] ),
beiden met kantoor te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. L.V. Drenth te Utrecht,
tegen
mr. [geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: M.P. Dol te Amsterdam.
Partijen worden hierna de curatoren en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
De curatoren hebben samen met [geïntimeerde] een verzoek ingediend tot het failliet verklaren van [X] . De curatoren respectievelijk [geïntimeerde] waren destijds curatoren in twee andere faillissementen. Vóór de mondelinge behandeling van dat verzoek heeft [geïntimeerde] een regeling getroffen met [X] en zich als verzoeker teruggetrokken.
De betaling die [X] op grond van de regeling heeft gedaan, is na het uitspreken van het faillissement van [X] niet terugbetaald. De vraag is of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van de curatoren door het treffen van de regeling en de ontvangst van de betaling.
2 Het geding in hoger beroep
De curatoren zijn bij dagvaarding van 17 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 augustus 2021 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen de curatoren als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 10, 11 en 12
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 33 tot en met 36
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties 13 tot en met 17
Ten slotte is arrest gevraagd.
De curatoren hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd het bestreden vonnis te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:
‘- [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Curatoren [X] te betalen een bedrag van € 130.000, - vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, ingaande op 5 september 2019, althans 4 maart 2020, tot aan de dag der algehele voldoening; en
- te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Curatoren [X] te betalen de buitengerechtelijke kosten, vast te stellen op € 2.075,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze dagvaarding, althans vanaf een door uw hof in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening,
- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.’
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd:
‘het appel van [geïntimeerde] gegrond te verklaren, de vonnissen van de Rechtbank in eerste aanleg te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellanten] af te wijzen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden.’
[geïntimeerde] vordert zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep dat de curatoren worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
3 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen deze ook het hof als uitgangspunt. Het hof vermeldt hieronder de vaststaande feiten die van belang zijn voor de beslissing in hoger beroep.
Op 26 juni 2018 is de vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) failliet verklaard. [geïntimeerde] is benoemd tot curator in het faillissement. De activa van [bedrijf 1] zijn op 29 juli 2018 verkocht aan [X] , met overname van enkele winkels, onder de verplichting van [X] om de huur daarvan te betalen. Namens de boedel van [bedrijf 1] heeft [geïntimeerde] vervolgens vonnissen tegen [X] verkregen tot betaling van onder meer de huur.
Op 15 april 2019 is surseance van betaling verleend aan de vennootschap [bedrijf 2] Retail B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). De aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] werden gehouden door [X] . [bedrijf 2] is op 25 juni 2019 failliet verklaard. De curatoren zijn benoemd tot curator in dit faillissement.
De curatoren meenden dat de boedel van [bedrijf 2] een vordering had op [X] .
Zij hebben [geïntimeerde] in juli 2019 verzocht om namens de boedel van [bedrijf 1] met hen een verzoek tot het failliet verklaren van [X] in te dienen bij de rechtbank Amsterdam. De vordering van de boedel van [bedrijf 1] op [X] uit hoofde van de hiervóór vermelde vonnissen was op dat moment ongeveer € 236.000,-. Het verzoek is op 8 augustus 2019 ingediend door de curatoren, [geïntimeerde] en [A] Advocaten (hierna: [A] ).
Op 2 september 2019 heeft [geïntimeerde] namens de boedel van [bedrijf 1] en [A] een vaststellingsovereenkomst gesloten met [X] uit hoofde waarvan [X]
€ 130.000,- aan de boedel van [bedrijf 1] en € 15.000,- aan [A] zou betalen. Het door [X] te betalen bedrag is op 5 september 2019 aan [X] ter beschikking gesteld door [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) al dan niet namens [bedrijf 2] Buying B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), die hiertoe
€ 51.900,- respectievelijk € 100.000,- op een betaalrekening van [X] hebben overgemaakt. [X] heeft op dezelfde dag de betalingen aan de boedel van [bedrijf 1] en aan [A] gedaan.
Nadat de betalingen waren gedaan, hebben [geïntimeerde] en [A] aan de rechtbank meegedeeld, zakelijk weergegeven, dat zij zich onttrokken aan het ingediende verzoek tot faillietverklaring vanwege de gesloten vaststellingsovereenkomst. De curatoren hebben het verzoek niet ingetrokken en de mondelinge behandeling daarvan heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Bij vonnis van 26 september 2019 is [X] failliet verklaard. Het vonnis is bekrachtigd bij arrest van 22 november 2019.
Het beroep in cassatie tegen dit arrest is op 30 oktober 2020 verworpen.
Bij e-mail van 8 januari 2020 hebben de curatoren aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij met een beroep op art. 47 Fw aanspraak maakten op het terugbetalen van de betalingen die de boedel van [bedrijf 1] en [A] van [X] hadden ontvangen. [A] heeft het ontvangen bedrag terugbetaald, de boedel van [bedrijf 1] niet.