Home

Gerechtshof Amsterdam, 06-06-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1508, 200.313.841/01

Gerechtshof Amsterdam, 06-06-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1508, 200.313.841/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 juni 2023
Datum publicatie
29 juni 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1508
Zaaknummer
200.313.841/01

Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader is bepaald, het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd en een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige is bepaald.

Sinds de minderjarige bij de vader woont, heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De bedreigingen in zijn ontwikkeling zijn afgenomen en zijn achterstand heeft hij ingelopen.

De moeder erkent nog altijd niet haar aandeel in het ontstaan van de situatie, die destijds aanleiding is geweest voor de uithuisplaatsing van de minderjarige.

De conclusies uit de NIFP-rapportage bevestigen dat de plaatsing bij de vader in het belang van de minderjarige is geweest.

Daarnaast bestaat er nog altijd een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen zijn ouders in het geval van gezamenlijk gezag.

Uitspraak

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.313.841/01

Zaaknummers rechtbank: C/15/312521 / FA RK 21-427 (gezag en omgang)

C/15/325290 / JU RK 22-269 (ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing)

C/15/325625 / JU RK 22-335 (gedeeltelijke gezagsbelasting)

Beschikking van de meervoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente 1] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. K. van Bijsterveld te Hilversum.

Als (overige) belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );

- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats C] (hierna: de GI).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de rechtbank) van 8 april 2022, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 3 juli 2022 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.

2.2

De vader heeft op 1 december 2022 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De moeder heeft op 20 januari 2023 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een bericht van de GI van 24 november 2022;

- een bericht van de GI van 28 februari 2023;

- een bericht van de moeder van 2 maart 2023 met bijlagen (1-8);

- een bericht van de vader van 6 maart 2023 met bijlagen (5-8) en een aanvullend verzoek;

- een bericht van de moeder van 6 maart 2023 met bijlage (9).

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.6

Na de mondelinge behandeling heeft de GI op verzoek van het hof de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 april 2023 toegestuurd.

3 De feiten

3.1

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk: de ouders) is [in] 2017 te [plaats D] (België) [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder was na de geboorte van [minderjarige] van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over hem.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank (hierna: de kinderrechter) van 11 april 2018 is [minderjarige] met ingang van die datum onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, tot 11 april 2019. Bij beschikking van dit hof van 26 februari 2019 is deze beschikking bekrachtigd. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking, tot 11 april 2023.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2019 zijn de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] belast. Verder is – kort samengevat – een zorgregeling bepaald met een opbouw (begeleid door het Omgangshuis), waarbij [minderjarige] vanaf 31 januari 2020 een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft alsmede één dag(deel) in de week, in onderling overleg te bepalen (als dit niet lukt, is het de woensdagmiddag). Ook is een vakantie- en feestdagenregeling bepaald.

3.4

Bij beschikking van 11 mei 2021 heeft de rechtbank het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Noord-Holland (hierna: het NIFP), verzocht om een onafhankelijke deskundige voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de vraag bij wie van de ouders [minderjarige] het beste zijn hoofdverblijfplaats kan hebben en wat de gevolgen zullen zijn van een eventuele wijziging van de hoofdverblijfplaats. Iedere verdere beslissing is pro forma aangehouden.

Bij beschikking van 8 oktober 2021 zijn de deskundigen benoemd om het onderzoek uit te voeren.

Bij rapporten van 28 december 2021 hebben de gezondheidszorgpsychologen E. Koster (met assistentie van A. Schaap, psycholoog SKJ) en L. Tel gerapporteerd aan de rechtbank.

3.5

Op 15 juni 2021 heeft de kinderrechter mondeling een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de gezaghebbende vader voor de duur van vier weken. Deze beslissing is schriftelijk vastgelegd op 16 juni 2021. Bij beschikking van 24 juni 2021 heeft de kinderrechter een aansluitende machtiging verleend tot 11 april 2022. Bij beschikking van 9 november 2021 heeft dit hof voornoemde beschikking bekrachtigd.

3.6

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 september 2021 is, voor zover hier van belang, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2019, de volgende zorgregeling vastgesteld: [minderjarige] heeft eenmaal per week gedurende één uur contact met de moeder onder begeleiding van Altra. Deze zorgregeling kan worden uitgebreid dan wel gewijzigd onder regie van de GI.

3.7

Bij brief van 1 maart 2023 heeft de raad ingestemd met het voorgenomen besluit van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te beëindigen.

3.8

Bij beschikking van 6 april 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op verzoek van de GI de omgangsregeling zoals vastgesteld in de bestreden beschikking gewijzigd en onder meer bepaald dat [minderjarige] en de moeder eenmaal per twee weken voor de duur van vier uur omgang met elkaar hebben op een dag passend bij de agenda van de ouders, waarbij de omgangsmomenten aan het begin van het omgangsmoment en aan het einde van het omgangsmoment gedurende de overdrachtsmomenten worden begeleid door Konfia en de regie op de zorg zal komen te liggen bij de gemeente [gemeente 2] .

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 Beslissing