Home

Gerechtshof Amsterdam, 18-07-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1729, 200.304.127/01

Gerechtshof Amsterdam, 18-07-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1729, 200.304.127/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18 juli 2023
Datum publicatie
28 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1729
Zaaknummer
200.304.127/01

Inhoudsindicatie

Rechtsbijstand bij incasso. Prijsafspraak. Vaste prijs voor faillissementsverzoek en provisie over te incasseren bedrag (no cure no pay). Surseance van betaling verleend aan schuldenaar op dag van verlenen opdracht tot incasso. Geen dwaling. Betaling door derde van het bedrag van de vordering, buiten toedoen van rechtsbijstandverlener. Uitleg prijsafspraak. Geen recht op provisie. Vervalbeding onredelijk bezwarend, ook in zakelijke verhoudingen.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.304.127/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 9140154 CV EXPL 21-1359

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023

inzake

[appellante] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. L.R. Ridderbroek te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [X],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. de Kock-Habernickel te Zaandam.

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft opdracht gegeven aan ‘ [appellante] advocaten’ om een vordering te incasseren en in het kader daarvan een faillissementsverzoek in te dienen. Daarbij is een prijsafspraak gemaakt, te weten een vast bedrag voor het faillissementsverzoek en een provisie over het bedrag dat zou worden geïncasseerd. Enkele dagen daarna is gebleken dat aan de schuldenaar surseance van betaling was verleend, op de dag dat de opdracht is verstrekt. Het bedrag van de vordering van [geïntimeerde] is door een derde betaald, zonder bemoeienis van [appellante] (advocaten). De vraag is of [geïntimeerde] de afgesproken prijs aan [appellante] moet betalen.

2 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 25 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 4 november 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, aangevuld bij vonnis van 16 december 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties 37 tot en met 40

- memorie van antwoord, met producties H1 tot en met H6

- akte van [appellante]

- antwoordakte van [geïntimeerde] met productie H7

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in 4.1 tot en met 4.6 van het vonnis van 4 november 2021 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere, tussen partijen vaststaande feiten, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

[geïntimeerde] heeft in juli en augustus 2019 als zelfstandige werkzaamheden verricht voor ING Bank door tussenkomst van het bedrijf [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Uit dien hoofde was [bedrijf] € 30.889,18 aan [geïntimeerde] verschuldigd.

3.2.

Bij brief van 15 augustus 2019 heeft [appellante] de opdracht bevestigd tot het incasseren van het bedrag dat [bedrijf] aan [geïntimeerde] was verschuldigd. In deze brief zijn onder meer ‘Incassovoorwaarden [appellante]’ opgenomen. Deze voorwaarden luiden onder meer:

1. No cure no pay incasso

(...)

Wij verzorgen het buitengerechtelijke incassotraject op basis van no cure no pay. Incasseren wij niets, dan betaalt u ons niets.

(...)

3 Spelregels

9 Algemene voorwaarden

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing