Gerechtshof Amsterdam, 01-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1881, 200.317.601/01
Gerechtshof Amsterdam, 01-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1881, 200.317.601/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2023
- Datum publicatie
- 3 augustus 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1881
- Zaaknummer
- 200.317.601/01
Inhoudsindicatie
Verzoek nihilstelling partneralimentatie, inspanningsverplichting alimentatiegerechtigde, relatie nietigheid kerkelijk huwelijk en lotsverbondenheid.
Uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.317.601/01
zaaknummer rechtbank: C/13/708110 / FA RK 21-6240 (MB TM)
beschikking van de meervoudige kamer van 1 augustus 2023 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam.
1 Het verloop van de procedure bij de rechtbank
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022 in deze zaak (hierna: de bestreden beschikking).
2 De procedure in hoger beroep
De man is op 6 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 4 januari 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 13 februari 2023 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 26 oktober 2022 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de man van 21 november 2022 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de man van 13 april 2023 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vrouw van 14 april 2023 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de man van 18 april 2023 met bijlage.
De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.
3 De feiten
Partijen zijn gehuwd [in] 1987. Uit het huwelijk zijn vijf - inmiddels meerderjarige - kinderen geboren.
Het huwelijk is op 31 oktober 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 oktober 2018 in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking is bepaald dat het convenant dat partijen op 29 september 2018 hebben gesloten wordt aangehecht en deel uitmaakt van die beschikking. Dat convenant bevat onder meer de volgende tekst:
“Artikel 2. Partneralimentatie
De man heeft een jaarinkomen van € 161.441, -. De vrouw drijft een onderneming, maar deze is momenteel niet winstgevend. De man heeft thans nog geen woonlasten. Partijen achten het redelijk dat bij de alimentatieberekening aan de kant van de man gerekend wordt met een fictieve woonlast van € 1.650, =. Als de man hogere of lagere woonlasten zou krijgen dat dit fictieve bedrag komt dit voor zijn rekening, of werkt dit in zijn voordeel. Partijen realiseren zich dat het heel goed denkbaar is belastingsysteem per 1 januari 2019 wordt gewijzigd.
Het uitgangspunt van de alimentatieregeling tussen partijen is dat de vrouw maandelijks nadat zij haar huur en ziektekosten heeft voldaan een nettobedrag van € 2.250,= overhoudt ter besteding. In het huidige fiscale stelsel houdt dit in dat de man haar € 66.000,= per jaar betaalt, dat is € 5.500,= per maand. Hij betaalt dit maandelijks bij vooruitbetaling. Dit bedrag is voor de man fiscaal aftrekbaar en wordt bij de vrouw belast. Partijen hebben zich bij het maken van deze afspraak gebaseerd op de aan dit convenant gehechte alimentatieberekening. Partijen beseffen dat uit deze berekening blijkt dat de man als hij naar draagkracht zou betalen maandelijks een bedrag van € 5.742,= aan de vrouw verschuldigd zou zijn.
Partijen zullen zich telkens nadat de fiscale wijzigingen worden doorgevoerd, dit gaat naar verwachting in 5 jaar jaarlijks getrapt, beraden over de gevolgen hiervan voor de hoogte van de alimentatie met als uitgangspunt dat de man er zorg voor dient te dragen dat de vrouw maandelijks over een ‘jus’ van netto € 2.250,=, jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke alimentatie index kan beschikken. Partijen tekenen daarbij uitdrukkelijk aan dat dit uitgangspunt niet langer geldt als de draagkracht van de man dit niet langer toelaat, in dat geval wordt de alimentatie op draagkracht berekend en/of dit maakt dat de ‘jus’ van de vrouw hoger wordt dan die van de man, in dat geval geldt als uitgangspunt dat de ‘jus’ tussen partijen gelijkgesteld wordt.
De op deze wijze overeengekomen alimentatie kan te allen tijde worden gewijzigd als de omstandigheden zich wijzigen. Dat kan zijn aan de kant van de man bij een verlaging van zijn inkomen en aan de kant van de vrouw als zij uit haar onderneming meer nettowinst maakt dan € 5.544,= per jaar, of op andere wijze een dergelijk nettobedrag verwerft. De vrouw geeft de man op diens eerste verzoek jaarlijks inzake in haar administratie.
De alimentatieregeling gaat in per 1 november 2018.”