Gerechtshof Amsterdam, 15-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2144, 200.306.243/01
Gerechtshof Amsterdam, 15-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2144, 200.306.243/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 augustus 2023
- Datum publicatie
- 15 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2144
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1664
- Zaaknummer
- 200.306.243/01
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. Einddatum verzekering verstreken. Verzekering is een levensverzekering. De aard van de verzekering is niet gewijzigd. Verplichting tot verificatie identiteit begunstigde en vastleggen van daarbij gebruikte gegevens op grond van de Wwft. Door het weigeren mee te werken aan de verificatie verhindert de begunstigde het uitbetalen van de uitkering. Schuldeisersverzuim.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.306.243/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/317099 / HA ZA 21-322
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 augustus 2023
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. S.L. Haanschoten te Rotterdam,
tegen
SRLEV N.V.,
gevestigd te Alkmaar,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. G.J.P. Molkenboer te Amsterdam
Partijen worden hierna [appellant] en SRLEV genoemd.
1 De zaak in het kort
[appellant] heeft recht op een uitkering uit hoofde van een in 1991 gesloten verzekering. SRLEV wil pas na verificatie van de identiteit van [appellant] tot betaling van de uitkering overgaan. [appellant] wil daaraan niet meewerken, althans wat betreft het vastleggen en bewaren van zijn gegevens. Het hof is van oordeel dat dit meebrengt dat SRLEV de uitkering niet hoeft uit te betalen.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 21 januari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 27 oktober 2021 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en SRLEV als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven in principaal hoger beroep.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep en van grieven in incidenteel hoger beroep, met één productie,
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,
- akte na antwoord in incidenteel hoger beroep van SRLEV,
- akte van [appellant] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in onderdeel 2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. [appellant] stelt met grief I dat de weergave te beperkt is. Voor zover nodig komt het hof hierop terug bij de beoordeling van het beroep. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere, tussen partijen vaststaande feiten, komt de zaak op het volgende neer.
In 1991 heeft [appellant] bij de Onderlinge ‘Zwitserse Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente’ (hierna: Zwitserleven) een verzekering afgesloten.
SRLEV is de rechtsopvolgster van Zwitserleven. De verzekering is vastgelegd in een polis die op 11 december 1991 is afgegeven (hierna: de polis). Op de polis zijn onder meer de ‘algemene verzekeringsvoorwaarden S 3 voor individuele verzekeringen met dekking van overlijdensrisico en met spaarelement’ van toepassing (hierna: de polisvoorwaarden).
De polis vermeldt onder andere:
‘Verzekerde prestaties
A. Hoofdverzekering
Verzekeringssom . . . F 70.000,--
Betaalbaar bij overlijden, doch uiterlijk bij in leven zijn van de verzekerde op 1 mei 2021.
B. (...)
Delen in de winst
Deze verzekering heeft aandeel in de winst van de maatschappij.
Verzekeringsduur
Aantal verzekeringsjaren: 30.
Ingangsdatum van de verzekering: 1 mei 1991.
(...)
Premie
De hoofdvervaldag van de premie is 1 mei van elk jaar.
De op de ingangsdatum vervallende premie bedraagt . F 1.782,--
De vervolgens telkens op 1 mei vervallende premie bedraagt
- van 1 mei 1992 tot 1 mei 2019 . . . F 1.782,--
- van 1 mei 2019 tot 1 mei 2021 . . . F 1.617,--
Begunstiging
Deze verzekering luidt bij in het leven zijn van de verzekerde ten gunste van de verzekerde en ingeval van overlijden van de verzekerde ten gunste van zijn echtgenote of, deze overleden zijnde, ten gunste van zijn kinderen of, bij ontstentenis van deze, ten gunste van de erfgenamen van de verzekerde.”
De polisvoorwaarden luiden onder meer:
‘V DELEN IN DE WINST
Art. 21. Additionele winstverzekering
1. Na afloop van het tweede verzekeringsjaar heeft de verzekering aandeel in de volle winst der Maatschappij. (...)
4. Over het verzekeringsjaar, waarin het verzekerde kapitaal opeisbaar wordt, wordt, behalve het voor dat jaar geldende winstaandeel, een slotdividend toegekend. De Maatschappij stelt, afhankelijk van de bedrijfsresultaten, van jaar tot jaar vast, hoeveel het slotdividend bedraagt van de verzekeringen, die in dat jaar opeisbaar worden.
5. De verzekeringssom van de additionele winstverzekering en het slotdividend zijn opeisbaar op hetzelfde tijdstip en met inachtneming van dezelfde voorwaarden als gelden voor de hoofdverzekering.’
Bij brief van 26 april 2021 heeft [appellant] aan SRLEV onder meer meegedeeld:
‘Wilt u op 1 mei zekerheidshalve controleren of ik inderdaad nog in leven ben dan kunt u mij bellen op (...).
Misschien ten overvloede: de relatie tussen u als verzekeraar (rechtsopvolger van Zwitserleven) en mij als verzekerde wordt beheerst door de gesloten overeenkomst. U kunt dus aan de uitbetaling geen eisen stellen die niet voortvloeien uit de polisvoorwaarden.’
De looptijd van de verzekering is op 1 mei 2021 verstreken. Krachtens de verzekering heeft [appellant] recht op een uitkering van € 37.160,-, inclusief winstbijschrijvingen.