Gerechtshof Amsterdam, 12-12-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3108, 200.308.974/01
Gerechtshof Amsterdam, 12-12-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3108, 200.308.974/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 december 2023
- Datum publicatie
- 2 januari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3108
- Zaaknummer
- 200.308.974/01
Inhoudsindicatie
Een man en een vrouw trouwen op huwelijkse voorwaarden. Deze voorwaarden heeft de notaris vastgelegd in een notariële akte en daarin is onder meer bepaald dat een woning die op naam van de man staat buiten de huwelijksgemeenschap blijft. Een paar maanden na hun huwelijk sluiten de man en de vrouw na tussenkomst van de notaris nog een overeenkomst. Deze overeenkomst is niet in een notariële akte vastgelegd. In deze onderhandse akte is bepaald dat in het geval het huwelijk eindigt in een echtscheiding de vrouw zal meedelen in de eventuele waardestijging van de woning. In de echtscheidingsprocedure beroept de man zich echter op de nietigheid van de overeenkomst en weigert de vrouw een deel van de meeropbrengst van de woning te vergoeden. In deze procedure stelt de vrouw de notaris aansprakelijk en stelt dat hij een beroepsfout heeft gemaakt door de nadere afspraak in een onderhandse akte en niet in een notariële akte vast te leggen. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.308.974/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/319615 HA ZA 21-461
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 december 2023
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellante,
advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat mr. H.J. Delhaas te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [appellante] en de notaris genoemd worden.
1 De zaak in het kort
Een man en een vrouw trouwen op huwelijkse voorwaarden. Deze voorwaarden heeft de notaris vastgelegd in een notariële akte en daarin is onder meer bepaald dat een woning die op naam van de man staat buiten de huwelijksgemeenschap blijft. Een paar maanden na hun huwelijk sluiten de man en de vrouw na tussenkomst van de notaris nog een overeenkomst. Deze overeenkomst is niet in een notariële akte vastgelegd. In deze onderhandse akte is bepaald dat in het geval het huwelijk eindigt in een echtscheiding de vrouw zal meedelen in de eventuele waardestijging van de woning. In de echtscheidingsprocedure beroept de man zich echter op de nietigheid van de overeenkomst en weigert de vrouw een deel van de meeropbrengst van de woning te vergoeden. In deze procedure stelt de vrouw de notaris aansprakelijk en stelt dat hij een beroepsfout heeft gemaakt door de nadere afspraak in een onderhandse akte en niet in een notariële akte vast te leggen. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw afgewezen. Het hof beoordeelt de vordering opnieuw.
2 Het geding in hoger beroep
[appellante] is bij dagvaarding van 17 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 2 maart 2022 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en de notaris als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 2 oktober 2023 laten toelichten door hun advocaten, de notaris mede door mr. L.C. Dufour, advocaat te Amsterdam. Zij hebben dat gedaan aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
[appellante] en haar (inmiddels ex-)echtgenoot de heer [naam 1] (hierna: ex-echtgenoot) hebben zich in 2001 bij de notaris gemeld om over huwelijkse voorwaarden te spreken. Uit dossieraantekeningen van de destijds kandidaat-notaris mr. [naam 2] (werkzaam op het kantoor van de notaris) van een bespreking van 1 mei 2001 blijkt onder andere het volgende:
“Mijnheer verkrijgt (als moeder sterft) de volledige eigendom van [straatnaam 1]
2 te [plaats] . Wél bedrag aan broer betalen.
Moeder is ernstig ziek.
(...)
Willen agvg muv bovengenoemde reg.g.
Geen verr. Beding (AVB) en ook geen fin. ver. bij scheiding. Wel bij overlijden? Ik
hoor nog.
Vinden het onredelijk als huwelijk eindigt door echtscheiding dat mevr niets heeft.
Willen daarom een soort van ver. beding (bij onderhandse akte!).”
Op 21 mei 2001 zijn [appellante] en haar ex-echtgenoot opnieuw bij de notaris geweest
voor een bespreking. Uit de dossieraantekeningen van dit gesprek blijkt onder andere het
volgende:
“willen huw vw. houdende agvg muv.
• [straatnaam 1] 2 + huis Zwitserland
(...)
Verder alles gem.s.
Zsm ontwerp.
Willen wel tot een (onderhandse) waarde.... V.h. huis komen.
Bepaald percentage met een max. Ik hoor.”
Bij brief van 5 juni 2001 hebben [appellante] en haar ex-echtgenoot aan mr. [naam 2] van het notariskantoor aanvullende gegevens toegestuurd:
“Onderstaand doen wij u, volgens afspraak, de verdere gegevens toekomen betreffende de aparte clausule bij de huwelijkse voorwaarden.
Bij een eventuele echtscheiding is de verdeling van het onroerend goed in Nederland als volgt: (...)”
Bij brief van 8 juni 2001 schreef mr. [naam 2] onder andere het volgende aan [appellante] en haar ex-echtgenoot:
“Hierbij zend ik u -zoals besproken- een concept van de huwelijksvoorwaarden.
(...)
De onderlinge verrekenafspraak zal ik aandacht geven in een aparte akte. (...)“
Op 11 juni 2001 heeft de notaris de akte houdende de huwelijkse voorwaarden
gepasseerd. De huwelijkse voorwaarden bevatten een beperkte goederengemeenschap. Tussen partijen bestaat een algehele gemeenschap van goederen met uitzondering van:
- De woning in [plaats] waarvan de man eigenaar is;
- Het onverdeeld aandeel van de man in een woonhuis in Zwitserland;
- De door [appellante] (nog te verkrijgen) aandelen in “ [appellante] Evenementen B.V .”.
Bij brief van 29 juni 2001 schreef mr. [naam 2] onder andere het volgende aan [appellante] en haar ex-echtgenoot:
“Naar aanleiding van het ondertekenen van de akte houdende huwelijksvoorwaarden op 11 juni j1. zend ik u hierbij de declaratie. (...)
Tevens zend ik u hierbij een ontwerp van de overeenkomst terzake een verrekening in de (eventuele) meerwaarde van het registergoed, gelegen aan [straatnaam 1] 2 te [plaats] . (...)“
Op 21 augustus 2001 is de onderhandse overeenkomst op het kantoor van de
notaris ondertekend. De overeenkomst houdt, voor zover in deze zaak van belang, het volgende in:
“De ondergetekenden:
1. de heer [naam 1] (...)
en
2. mevrouw [appellante] , (...)
op huwelijksvoorwaarden, in voor beiden eerste echt, met elkaar gehuwde echtelieden en
tezamen wonende te [postcode] [plaats] , [straatnaam 2] 15;
in aanmerking nemende :
- dat ondergetekenden met elkaar zijn gehuwd op huwelijksvoorwaarden, inhoudende een
algehele gemeenschap van goederen, zulks met uitzondering van onder andere het
woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden te 1851 BA [plaats] , [straatnaam 1]
2, (... ) welke gesteld is ten name van de ondergetekende sub 1;
- dat partijen op grond van een -in de tijd naar voren getrokken- verplichting tot
verzorging, en een verplichting van moraal en fatsoen, het er voor houden dat
ondergetekende sub 2 dient te participeren in de eventuele meerwaarde dat gemeld
registergoed zal verkrijgen na heden;
verklaren dienaangaande de volgende regeling te zijn overeengekomen:
- Als het huwelijk zal eindigen, anders dan door overlijden, te weten bij echtscheiding of
scheiding van tafel en bed, zal de waarde van het hierboven genoemde registergoed in
onderling overleg worden vastgesteld (...)
- De aldus gevonden waarde dient verminderd te worden met (het restant van) de
schuld(en) per de datum van ontbinding van het huwelijk, tot zekerheid waarvoor
hypotheek is verleend;
- De ondergetekende sub 1 zal in de hierboven omschreven situaties aan de
ondergetekende sub 2 van die laatstgevonden waarde de helft vergoeden; die helft in die
waarde hierna te noemen: “restantwaarde”;
- De betreffende vergoeding vindt als volgt plaats:
(...)
- bij ontbinding in de periode tussen 15 juni 2006 en 15 juni 2026 dient vergoed te
worden door de ondergetekende sub 1 aan de ondergetekende sub 2 een percentage
van de restantwaarde dat gelijk is aan 20, vermeerderd met 4 procentpunt per
kalenderjaar dat geheel of gedeeltelijk verstreken is na 15 juni 2006;(...)”
[appellante] heeft achttien jaar later, op 17 oktober 2019, een verzoek ingediend bij de rechtbank om de echtscheiding tussen haar en haar ex-echtgenoot uit te spreken. In die procedure ontstond over diverse onderwerpen discussie, onder meer over de wijze waarop de huwelijkse voorwaarden moesten worden afgewikkeld en de wijze waarop het huwelijksvermogen moest worden afgerekend. De ex-echtgenoot stelde zich hierbij op het standpunt dat de hiervoor onder 3.7 vermelde overeenkomst nietig was. Het gevolg van dat standpunt was dat [appellante] niet zou meedelen in de overwaarde van de woning in [plaats] , die inmiddels was verkocht met een overwaarde van € 472.091,-.
[appellante] stelde zich op het standpunt dat de overeenkomst wel geldig was en dat zij daarom volgens die overeenkomst recht had op 80% van de helft van de restantwaarde, in dit geval dus € 188.836,40.
Tot een beslissing van de rechtbank is het op dit punt niet gekomen. De echtscheidingsbeschikking van 2 december 2020 vermeldt het volgende:
“2.9. Afwikkeling huwelijksvermogen
Partijen hebben op 11 juni 2001 huwelijksvoorwaarden gemaakt. Daarnaast zijn zij
op 21 augustus 2001 een regeling overeengekomen voor het geval het huwelijk door
echtscheiding (of scheiding van tafel en bed) eindigt. Tussen partijen is - kort gezegd - in
geschil de wijze waarop de huwelijksvoorwaarden moeten worden afgewikkeld en de
geldigheid van voornoemde overeenkomst van 21 augustus 2001.
Ter beëindiging van hun geschil zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling een
minnelijke regeling overeengekomen. Zij hebben afgesproken dat de man een bedrag van
€ 55.000,- aan de vrouw voldoet, binnen zeven dagen na de datum van inschrijving van
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarna verlenen partijen
elkaar over en weer finale kwijting.”