Gerechtshof Amsterdam, 21-03-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:700, 200.302.446/01
Gerechtshof Amsterdam, 21-03-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:700, 200.302.446/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 maart 2023
- Datum publicatie
- 25 maart 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:700
- Zaaknummer
- 200.302.446/01
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid notaris.
De notaris heeft de kadastrale inschrijving doorgehaald van een recht van hypotheek ten laste van een zeiljacht. Het hypotheekrecht strekte tot zekerheid voor de betaling van hetgeen de eigenaar van het jacht verschuldigd was aan appellant. Appellant stelt dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld omdat appellant geen toestemming had gegeven voor doorhaling en heeft schadevergoeding gevorderd. Het hof stelt vast dat appellant een onherroepelijke royementsvolmacht aan de notaris heeft gestuurd en een verklaring dat hij niets meer van de eigenaar te vorderen had. Dat de royementsvolmacht niet aan de royementsakte is gehecht, is in strijd met het bepaalde in artikel 44 lid 1 Wna. Dit tast echter niet de rechtsgeldigheid van de royementsakte aan. Ook levert overtreding van artikel 44 lid 1 Wna geen onrechtmatige daad jegens appellant op. Het in deze bepaling artikel neergelegde vereiste strekt niet ter bescherming van appellant tegen de schade zoals hij stelt die te hebben geleden.
Anders dan appellant betoogt brengt artikel 2 Reglement royementen niet mee dat de notaris drie maanden na het verstrekken van de onherroepelijke royementsvolmacht daarvan geen gebruik meer zou mogen maken. Dit artikel bepaalt dat royement dient plaats te vinden binnen drie maanden na het passeren van de akte waarvoor royement was vereist. Ook heeft de notaris door te handelen in strijd met artikel 2 Reglement royementen niet onrechtmatig gehandeld jegens appellant. Het in dit artikel neergelegde vereiste strekt niet ter bescherming van appellant tegen de schade zoals hij stelt te hebben geleden.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.302.446/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/299205/ HA ZA 20-83
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 maart 2023
inzake
[appellante] NOTARISSEN B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum.
1 De zaak in het kort
De notaris heeft de kadastrale inschrijving doorgehaald van een recht van hypotheek ten laste van een aan [naam 1] in eigendom toebehorend zeiljacht. Het hypotheekrecht strekte tot zekerheid voor de betaling van hetgeen [naam 1] verschuldigd was aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft gesteld dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld omdat [geïntimeerde] geen toestemming had gegeven voor doorhaling en heeft schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de notaris bij het doorhalen van het hypotheekrecht heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende zorgplicht en heeft hem veroordeeld tot vergoeding van schade, rekening houdend met eigen schuld van [geïntimeerde] . De notaris komt tegen het vonnis op. Het hof oordeelt dat de notaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
2 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna de notaris en [geïntimeerde] genoemd.
De notaris is bij dagvaarding van 18 oktober 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 2021, onder bovenvermeld rol-/zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en de notaris als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 januari 2023 doen bepleiten, de notaris door mr. P.H. Kramer, voornoemd, en [geïntimeerde] door mr. A.W. Hooijen, eveneens voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid is door de notaris nog een productie in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De notaris heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [geïntimeerde] tot (i) terugbetaling aan de notaris van hetgeen de notaris op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door de notaris tot aan de dag van volledige terugbetaling door [geïntimeerde] , en (ii) de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de notaris in de kosten van het geding inhoger beroep met nakosten.
De notaris heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
3 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen deze ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
Op 5 september 2006 heeft notaris mr. [naam 2] te [plaats] een hypotheekakte gepasseerd tussen [geïntimeerde] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]
) als schuldeisers enerzijds en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als schuldenaar anderzijds. De hypotheek werd gevestigd op het zeiljacht Explorer, eigendom van [naam 1] , ter zekerheid voor betaling van al hetgeen [naam 1] op dat moment of in de toekomst aan de respectieve schuldeisers schuldig zou zijn. Blijkens de hypotheekakte was [naam 1] op dat moment aan ieder van de schuldeisers een bedrag verschuldigd van € 100.000, te vermeerderen met rente, uit hoofde van geldleningen van respectievelijk 6 december 2005 ( [geïntimeerde] ) en 8 december 2005 ([bedrijf]).
In 2014 zijn er van de zijde van [naam 1] en diens partner [naam 3] (hierna: [naam 3]) stappen ondernomen om te komen tot doorhaling van het hypotheekrecht van [geïntimeerde] zodat een aan [naam 3] te verstrekken hypotheekrecht zo hoog mogelijk in rang zou zijn. [naam 3] heeft in verband daarmee contact gehad met de notaris. De doorhaling van het hypotheekrecht heeft niet in 2014 plaatsgevonden.
[naam 1] is op 19 juli 2016 in privé in staat van faillissement verklaard. [geïntimeerde] heeft haar vordering aangemeld bij de curatoren.
Het hypotheekrecht van [geïntimeerde] is op 2 november 2017 door de notaris doorgehaald.
De curatoren in het faillissement van [naam 1] hebben de Explorer op 23 mei 2019 verkocht voor een bedrag van € 150.000. De notariële levering van de Explorer aan de koper heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. De netto verkoopopbrengst van de Explorer bedroeg € 135.000 en is ten goede gekomen aan de boedel in het faillissement. [geïntimeerde] heeft geen uitkering ontvangen.
De notaris heeft in 2020, lopende de procedure in eerste aanleg, een onherroepelijke volmacht tot doorhaling van het hypotheekrecht overgelegd die is gedateerd 20 juni 2014 en is ondertekend met vermelding van de naam van de directeur van [geïntimeerde] .
Tevens heeft de notaris een aan een medewerkster van het kantoor van de notaris gerichte brief gedateerd 23 juni 2014 overgelegd die is gesteld op briefpapier van [geïntimeerde] en is ondertekend met vermelding van de naam van de directeur van [geïntimeerde] en die, en voor zover van belang, luidt als volgt:
“Dossier: EL/2014.01782.02/MJH/AJ
Betreft: Royementsvolmacht
Geachte mevrouw [naam 4],
Bijgaand treft u de getekende Royementsvolmacht aan betreffende opzegging hypotheek.
Voorts verklaar ik, [naam 5], handelend als algemeen directeur van de besloten vennootschap [geïntimeerde] B.V. dat de vennootschap [geïntimeerde] BV niets meer heeft te vorderen van de heer [naam 1] , inzake hypotheek op het schip genaamd de Explorer met brandmerk [nummer]”.
De royementsvolmacht is niet aan de royementsakte van 2 november 2017 gehecht.