Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:938, 200.318.228/01 en 200.312.721/01

Gerechtshof Amsterdam, 25-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:938, 200.318.228/01 en 200.312.721/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 april 2023
Datum publicatie
22 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:938
Formele relaties
Zaaknummer
200.318.228/01 en 200.312.721/01

Inhoudsindicatie

De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat niet kan worden vastgesteld dat hij tijdig een beroepschrift als bedoeld in art. 359 Rv heeft ingediend.

Het via Zivver verzonden beroepschrift kan door het hof niet worden geopend. De vraag of het hof aanleiding had moeten geven tot het bieden van een herstelmogelijkheid, al dan niet met het geven van een (extra) termijn, beantwoordt het hof ontkennend. Het mailen

– één dag voor het verstrijken van de beroepstermijn - van een beschadigd, niet te openen, bestand dient voor risico te blijven van appellant. Daarbij komt dat de advocaat van de man de volgende ochtend door de wederpartij erop is geattendeerd dat de desbetreffende bijlage niet kon worden geopend.

Van een zogenoemde apparaatsfout is onvoldoende gebleken. Consultatie door het hof van IVO (de ICT dienst van de rechtspraak) wijst uit dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het ICT systeem van de rechtspraak een bij verzending nog deugdelijk te openen bestand bij ontvangst zodanig beschadigt dat het niet (meer) te openen is.

Hetgeen de advocaat van de man heeft aangevoerd met betrekking tot de bestandsgrootte rechtvaardigt niet de conclusie dat de man erop mocht vertrouwen dat het hof binnen de beroepstermijn over een te openen exemplaar van het beroepschrift beschikte.

Dat de advocaat van de man geen melding heeft ontvangen van Zivver dat de desbetreffende bijlage beschadigd was, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat Zivver dergelijke controles uitvoert en of dergelijke meldingen verstuurt, dient ook een dergelijke omstandigheid voor risico van de verzender te blijven.

Uitspraak

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.318.228/01 en 200.312.721/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/326350 / FA RK 22-1316 en C/15/326348 / FA RK 22-1315

Beschikking van de meervoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak met zaaknummer 200.318.228/01 van

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Flipse te Utrecht,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.R. Gorseling te Lent,

en in de zaak met zaaknummer 200.312.721/01 van

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Flipse te Utrecht,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.R. Gorseling te Lent.

Als belanghebbenden zijn in beide zaken door het hof aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ),

verder gezamenlijk te noemen: de kinderen.

Als informant is door het hof aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers Noord-Holland, gevestigd te [plaats] (hierna: de GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank Noord-Holland), van 18 juli 2022 (hoofdzaak) en 25 april 2022 (beslissing op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van art. 223 Rv), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.318.228/01)

2.1

De man is op 17 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 18 juli 2022.

2.2

De vrouw heeft op 22 december 2022 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend..

In het hoger beroep tegen de beschikking voorlopige voorziening (art. 223 Rv; zaaknummer 200.312.721/01)

2.3

De man is op 15 juni 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 25 april 2022.

2.4

De vrouw heeft op 26 juli 2022 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.5

De man heeft op 29 september 2022 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep imngediend.

2.6.Op 12 januari 2023 heeft in beide zaken gelijktijdig de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde was. Verschenen zijn:

- de advocaat van de man;

- de advocaat van de vrouw.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de man en vrouw zijn geboren:

- [minderjarige 1] , [in] 2009 te [plaats C] ;

- [minderjarige 2] , [in] 2011 te [plaats C] .

De vrouw oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De vader heeft de kinderen erkend.

3.2

Bij beschikking van 25 november 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank Midden-Nederland), zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 4 oktober 2022 van de rechtbank Noord-Holland verlengd tot 4 oktober 2023.

3.3

Bij beschikking van 27 september 2018 van de rechtbank Noord-Holland is een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, welke uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] is geëindigd op 24 oktober 2022 en voor [minderjarige 1] is verlengd, thans tot 4 oktober 2023. Aan deze beschikking is niet volledig uitvoering gegeven. Wegens overbelasting van de (toenmalige) pleegouders eind januari 2022 is [minderjarige 2] tussentijds weer bij de vrouw gaan wonen en is [minderjarige 1] na verblijf bij zijn oma in augustus 2022 in een project-pleeggezin geplaatst.

3.4

Bij beschikking van 21 december 2017 van de rechtbank Midden-Nederland is het verzoek van de man om een informatieregeling afgewezen bij gebrek aan belang, omdat is gebleken dat de vrouw de man via Save op de hoogte houdt van de belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de kinderen.

3.5

Bij beschikking van 21 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Holland is ten aanzien van een door de vader verzochte informatieregeling bepaald dat de moeder de regeling uit het verleden waarbij zij de vader informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de kinderen zal hervatten, zodra zij feitelijk in staat is dit te doen, met behulp van een tussenpersoon- of organisatie. Daarnaast het verzoek van de man ten aanzien van het recht op informatie en consultatie te herstellen, afgewezen.

3.6

Bij beschikking van 9 november 2021 van dit hof is de in 3.5 bedoelde beschikking vernietigd voor zover het de informatie- en consultatieregeling betreft, en is bepaald dat de moeder via haar advocaat eenmaal per kwartaal de vader via zijn advocaat in een emailbericht algemene informatie met betrekking tot de kinderen verstrekt, zoals informatie over schoolkeuze en schoolresultaten alsmede een overzicht van medische behandelingen en therapieën, vergezeld van een recente foto van de kinderen.

3.7

Bij brief van 19 oktober 2021 heeft de Gecertificeerde Instelling (hierna: de GI) de vader ten aanzien van zijn omgang met [minderjarige 1] – voor zover relevant – het volgende bericht:

“ ...

Sinds november 2020 probeert DJGB de omgang tussen u en uw zoon [minderjarige 1] in gang te zetten. Als eerste begonnen we met begeleide gesprekken via Teams.

...

Na de evaluatie van de Teams gesprekken zijn wij overgestapt naar fysiek begeleide bezoeken van een half uurtje om de 5 a 6 weken..

...

In overleg met mijn gedragsdeskundige en betrokken hulpverleners zijn wij tot de conclusie gekomen dat op dit moment omgang met u voor [minderjarige 1] te belastend is.

...

U ...beschikt over onvoldoende opvoedvaardigheden om contact te hebben op een manier die voor [minderjarige 1] prettig is.

...

Daarnaast creëert u extra onveiligheid door in het bijzijn van [minderjarige 1] uit te vallen naar de begeleiders van ZIJN.

...

De begeleider van ZIJN zal ... samen met u bekijken wat voor mogelijkheden er voor u zijn om middels het volgen van cursussen en trainingen tot meer opvoedvaardigheden te komen, in de hoop dat de omgang op termijn mogelijk weer kan opstarten.

...

3.8

Tussen de vader en [minderjarige 2] vindt sinds geruime tijd geen contact plaats.

4 De omvang van het geschil

5 De ontvankelijkheid in de zaak met zaaknummer 200.318.228/01

6 De beoordeling in de zaak met zaaknummer 200.312.721/01.

7 De beslissing