Gerechtshof Amsterdam, 23-04-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1071, 200.309.637/01
Gerechtshof Amsterdam, 23-04-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1071, 200.309.637/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 22 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1071
- Zaaknummer
- 200.309.637/01
Inhoudsindicatie
Onroerendezaak belasting over periode na datum faillissement. Geen boedelvordering wel een verifieerbare vordering. Toepassing regels uit HR - Credit Suisse/Jongepier q.q.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.309.637/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/695570 / HA ZA 21-32
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2024
inzake
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelend te Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. J.H. van der Weide te Den Haag,
tegen
mr. [geïntimeerde 1] ,
en
mr. [geïntimeerde 2] ,
handelend in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HBC Netherlands B.V.,
beiden kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr E.P. Pandelitschka te Amsterdam.
Partijen worden hierna de Gemeente en de Curatoren genoemd.
1 De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de vordering van de Gemeente inzake onroerende zaak belasting over het jaar 2020 een boedelvordering dan wel een verifieerbare vordering oplevert in het faillissement van HBC Netherlands B.V. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een boedelvordering maar wel van een verifieerbare vordering.
2 Het geding in hoger beroep
De Gemeente is bij dagvaarding van 7 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 8 december 2021 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak/rol-nummer gewezen tussen de Gemeente als eiseres en de Curatoren als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 en 2;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 februari 2024 laten toelichten. De Gemeente door mr. Van der Weide voornoemd en zijn kantoorgenote mr. P.F.B. Mulder, de Curatoren door mr. J. van Straaten, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten
De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
HBC Netherlands B.V. (hierna: HBC) huurde sinds 29 juli 2016 het pand aan de Hoogstraat 199 te Rotterdam (hierna: het pand). In het pand werd door HBC aanvankelijk een warenhuis geëxploiteerd (Hudson’s Bay). In het kader van een door HBC in gang gezette orderly wind down werd het warenhuis in de loop van 2019 gesloten.
Aan HBC is bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2019 (voorlopige) surseance verleend met benoeming van de Curatoren tot bewindvoerders.
De bewindvoerders hebben op 29 november 2019 de huurovereenkomst met betrekking tot het pand met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden opgezegd tegen 1 maart 2020.
Op 31 december 2019 is de voorlopig verleende surseance van betaling van HBC door de rechtbank Amsterdam ingetrokken en is HBC in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de Curatoren als zodanig.
De Curatoren hebben het pand ook na 31 december 2019 nog feitelijk gebruikt als tijdelijke opslagruimte ten behoeve van de afwikkeling van een door hen met de Duitse vennootschap Kaufhof GmbH (hierna: Kaufhof) gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de winkelinventaris.
De Gemeente heeft een aanslag Onroerende-zaakbelasting Gebruikers (hierna: de OZB-aanslag) van € 143.789,89 met dagtekening 20 januari 2020 opgelegd aan HBC als gebruiker van het pand.
Na een betalingsherinnering van 11 augustus 2020 hebben de Curatoren bij brief van 26 augustus 2020 aan de Gemeente bericht dat HBC geen betalingsverplichting heeft tot voldoening van heffingen na 31 december 2019 (de datum van het faillissement van HBC) en dat de OZB-aanslag als onverschuldigd wordt beschouwd.
Bij brief van 14 oktober 2020 hebben de Curatoren aan de Gemeente bericht dat de verificatievergadering op 4 november 2020 zal plaatsvinden en dat de vordering van de Gemeente uit hoofde van de OZB-aanslag (hierna: de OZB-vordering) niet op de lijst van schuldeisers is geplaatst omdat deze niet verifieerbaar is. Op de verificatievergadering, waar de Gemeente niet is verschenen, hebben de Curatoren de betwisting van de OZB-vordering gehandhaafd en zijn partijen door de rechter-commissaris verwezen naar de renvooiprocedure. De onderhavige procedure is deze renvooiprocedure.
De Gemeente heeft de brief van de Curatoren van 26 augustus 2020 als bezwaarschrift aangemerkt en bij beslissing op bezwaar van 4 december 2020 de Curatoren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. In deze beslissing staat verder onder meer dat de onroerende zaak belasting (hierna: OZB) een tijdstipbelasting is die de gebruiker van een onroerende zaak op 1 januari van het belastingjaar is verschuldigd, zodat de OZB-aanslag terecht is opgelegd aan HBC omdat HBC het pand op 1 januari 2020 gebruikte.