Gerechtshof Amsterdam, 16-07-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1985, 200.309.995/01
Gerechtshof Amsterdam, 16-07-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1985, 200.309.995/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2024
- Datum publicatie
- 4 september 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1985
- Zaaknummer
- 200.309.995/01
Inhoudsindicatie
Uitleg van afspraken in een commerciële overeenkomst tussen professionele partijen over onder meer de achterstelling van een aandeelhouderslening en rente. Beroep op verjaring van rentevordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vanwege onderhandelingen?
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.309.995/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/686829/HA ZA 20-723
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juli 2024
inzake
ALCMAIR HOLDING B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. L.C.L. Bults te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. B. Honerbom en mr. N.J.H. Leferink te Enschede.
Partijen worden hierna Alcmair en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Alcmair en [geïntimeerde] zijn een samenwerking aangegaan voor de ontwikkeling van een medisch apparaat, de VitaQ. Na beëindiging van hun samenwerking is een geschil ontstaan over de uitleg van in 2015 gemaakte afspraken. Alcmair vordert in deze procedure (terug)betaling van een door haar verstrekte lening met rentetermijnen, een deel van de verkoopprijs voor het VitaQ-project en inzage in financiële gegevens. [geïntimeerde] vordert op haar beurt een verklaring voor recht dat zij de lening en de rente niet aan Alcmair hoeft te betalen. De rechtbank heeft de vordering van Alcmair tot betaling van de rentetermijnen toegewezen en voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de lening nog niet hoeft terug te betalen. Het hof oordeelt in deze uitspraak dat [geïntimeerde] ook de lening moet terugbetalen. De andere vorderingen van Alcmair en de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen.
2 Het geding in hoger beroep
Alcmair is bij dagvaarding van 31 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 januari 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Alcmair als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.
Bij arrest van 7 juni 2022 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. De mondelinge behandeling heeft op 8 september 2022 plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- akte correctie van memorie van grieven in principaal appel tevens memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2023 laten toelichten. Alcmair door mr. Bults, [geïntimeerde] door mr. Honerbom en mr. Leferink, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Bij die gelegenheid zijn door Alcmair en [geïntimeerde] aktes met nadere producties in het geding gebracht.
Op 21 november 2023 hebben partijen bericht dat geen minnelijke regeling tot stand is gekomen en arrest gevraagd.
Alcmair heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de gewijzigde vorderingen op [geïntimeerde] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Alcmair, met veroordeling van Alcmair in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de gewijzigde vorderingen op Alcmair zal toewijzen, met veroordeling van Alcmair in de kosten van het geding in beide instanties.
Alcmair heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de grieven en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 van Alcmair is gericht tegen deze vaststelling. Volgens Alcmair heeft de rechtbank in 2.2. van het vonnis ten onrechte opgenomen dat [geïntimeerde] zich richt op de ontwikkeling van de VitaQ, omdat [geïntimeerde] de VitaQ in 2017 heeft verkocht en overgedragen aan een derde. Het hof houdt met deze grief hierna bij de opsomming van de vaststaande feiten rekening. Omdat deze grief niet tot een andere beslissing kan leiden, heeft Alcmair geen belang bij deze grief en faalt de grief.
Verder is in hoger beroep niet in geschil dat de feiten in het bestreden vonnis juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten neer op het volgende.
Alcmair is opgericht met als doel het ontwikkelen en op de markt brengen van medische apparatuur. De directeur-grootaandeelhouder van Alcmair was [naam 1] . Hij is overleden op [datum]
Alcmair was tot 31 januari 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van Alcmair Partners B.V. (hierna: Alcmair Partners), een vennootschap waarin de ontwikkeling van een medisch apparaat voor anesthesiologie, de VitaQ, was ondergebracht. [naam 1] was een van de bedenkers van de VitaQ.
[geïntimeerde] richt zich onder meer op de ontwikkeling, inkoop en verkoop van medische apparatuur. [geïntimeerde] behoort tot de internationaal opererende [geïntimeerde] groep. [geïntimeerde] is de rechtsopvolger van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ).
Op 31 januari 2012 heeft [bedrijf 1] 50% van de aandelen in Alcmair Partners gekocht, zodat ook het aandelenbelang van Alcmair 50% werd.
Voor de ontwikkeling van de VitaQ hebben Alcmair en [bedrijf 1] ieder een aandeelhouderslening van € 700.000 aan Alcmair Partners verstrekt. Alcmair en Alcmair Partners hebben daarvoor op 2 februari 2012 een leningsovereenkomst ondertekend.
In artikel 2 lid 1 van de leningsovereenkomst is bepaald dat Alcmair Partners over het bedrag van € 700.000 een rente zal betalen van 4% per jaar, “per kwartaal achteraf te voldoen, voor het eerst op 31 december 2012 over het alsdan verstreken tijdvak”. Verder staat in artikel 3 lid 1 van de leningsovereenkomst dat het geleende bedrag met al het verder verschuldigde terstond en zonder waarschuwing kan worden opgeëist in onder andere het geval wanneer de rente niet op de vervaldag wordt betaald. In artikel 4 staat dat de lening is achtergesteld aan het innovatiekrediet van Agentschap NL en dat de rente op de lening niet is achtergesteld.
Op 24 februari 2015 hebben Alcmair en [bedrijf 1] aanvullende afspraken vastgelegd in een Term Sheet. Partijen zijn overeengekomen dat Alcmair haar aandelen in Alcmair Partners overdraagt aan [bedrijf 1] voor een bedrag van € 1. In de Term Sheet is onder het kopje ‘Subordination loan AH’ het volgende opgenomen, waarbij Alcmair als ‘AH’ is aangeduid, [bedrijf 1] als ‘LI’ en [geïntimeerde] als ‘Company’:
“The loan provided by AH in the amount of € 700.000 pursuant to the loan agreement between the Company and AH dated 2 February 2012 shall be subordinated vis-à-vis all other debt owed by the Company (...). Repayment of the loan provided by AH shall be done as soon as the selling of Product results in a positive cash flow (positieve kasstroom) in excess of € 200.000 (so working capital is available) and there is no other debt of the Company overdue and outstanding. (...) LI will provide annual financial overviews in order for [naam 1] to make sure this part of the Term Sheet is carried out correctly.”
In een bijlage bij de Term Sheet met de titel ‘Annex C List of Current Debt’ is de hoofdsom van de door Alcmair verstrekte lening met rente vermeld.
Verder is in de Term Sheet onder het kopje ‘Sale of Shares or Product’ opgenomen:
“If and when the entire concept of the product (including the relevant patents and know how etc.) or the Shares will be sold and transferred to a third party (being any party not affiliated with LI or H+L [gerechtshof: [naam 2] + [geïntimeerde] GmbH & Co. KG]), LI is either obliged (i) to let the buyer continue the payment of fee on Turnover to [naam 1] (...) or at LI’s choice to buy off this obligation, whereby the price of such buying off will be set at 5% of the final price LI receives from the buyer. The same calculation will apply in case of a transfer of the Shares.”
Eind 2016 zijn Alcmair Partners en [bedrijf 1] gefuseerd met Alcmair Partners als overblijvende vennootschap. De naam van Alcmair Partners is daarbij gewijzigd in [geïntimeerde] B.V. (appellante in deze procedure). De naam van [naam 2] + [geïntimeerde] GmbH & Co. KG is gewijzigd in [geïntimeerde] Medical GmbH & Co. KG.
Eind 2017 heeft [geïntimeerde] het VitaQ-project overgedragen aan een andere vennootschap. De IE-rechten van de VitaQ zijn toen ondergebracht in [geïntimeerde] Medical Technology S.A. Deze vennootschap is geregistreerd in het Register of European Patents als houder van een aantal patenten waarop de VitaQ is gebaseerd.
[geïntimeerde] heeft in haar jaarstukken over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2018 de in 2017 en 2018 verschuldigde rente over de lening toegevoegd aan haar schuld aan Alcmair.
Met ingang van 31 december 2018 hebben Alcmair en [geïntimeerde] hun samenwerking beëindigd.
Alcmair heeft aan [geïntimeerde] een factuur van 29 oktober 2019 gestuurd voor de verschuldigde rente voor het jaar 2018.
Alcmair heeft in een brief van 19 mei 2020 [geïntimeerde] gesommeerd tot het betalen van de achterstallige rente over de lening en het verstrekken van de jaarlijkse financiële overzichten.
Op grond van verleend verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland heeft Alcmair op 3 juli 2020 en 21 augustus 2020 conservatoir (derden)beslag ten laste van [geïntimeerde] laten leggen.
Vervolgens is [geïntimeerde] een kort gedingprocedure gestart tegen Alcmair waarin zij, kort samengevat, opheffing van de beslagen heeft gevorderd. In reconventie heeft Alcmair veroordeling van [geïntimeerde] tot nakoming van de leningsovereenkomst gevorderd. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 27 oktober 2020 het beslag opgeheven onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] een bankgarantie van € 1.027.200 verstrekt. In reconventie is [geïntimeerde] veroordeeld tot het betalen van een voorschot van € 100.000 en tot afgifte aan Alcmair van stukken over onder meer de status van de ontwikkeling van de VitaQ, de overeenkomsten die zijn gesloten in verband met de verkoop van de VitaQ, een overzicht van alle nieuwe crediteuren van [geïntimeerde] sinds het sluiten van de Term Sheet en een overzicht van betalingen aan aanwezige crediteuren op het moment van sluiten van de Term Sheet, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
[geïntimeerde] heeft een bedrag van € 100.000 aan Alcmair betaald. Op 6 november 2020 heeft [geïntimeerde] aan Alcmair stukken over de ontwikkeling van de VitaQ verstrekt.
Op 27 november 2020 heeft Alcmair dwangsommen aangezegd, bevel gedaan om dat bedrag terstond te betalen en beslag ten laste van [geïntimeerde] laten leggen.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] een executiegeschil aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Holland. In een kort gedingvonnis van 4 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat (i) [geïntimeerde] tijdig heeft voldaan aan de veroordelingen, zoals opgenomen in onderdeel 6.6 van het kort gedingvonnis van 27 oktober 2020, (ii) Alcmair de executie van dat vonnis dient te staken en (iii) het beslag opgeheven.
In een brief van 27 december 2022 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van Alcmair geschreven dat [geïntimeerde] Medical SE & Co. KG heeft besloten om het VitaQ-project stop te zetten omdat het vanuit medisch-technisch en economisch perspectief niet langer haalbaar bleek om tot marktintroductie te komen.