Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2189, 200.316.774/01

Gerechtshof Amsterdam, 11-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2189, 200.316.774/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
6 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:2189
Zaaknummer
200.316.774/01

Inhoudsindicatie

Handelen in de hoedanigheid van curator. Artikel 193 lid 3 Fw. In gegeven omstandigheden geen persoonlijke aansprakelijkheid van curator bij niet afgeven deel administratie na beëindiging faillissement. Voor het overige leidt toetsing aan “Maclou-norm” evenmin tot persoonlijke aansprakelijkheid van curator.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.316.774/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/315299/ HA ZA 21-206

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juni 2024

in de zaak van

PRO DEV B.V.,

gevestigd te Haarlem,

[appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.S.F. Loor te Zaandam,

tegen

mr. [geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.A. van der Pool te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

Appellanten zullen – voor zover van belang – afzonderlijk Pro Dev en [appellant 2] genoemd worden.

1 De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [appellanten] stelt te hebben geleden door het handelen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] was curator in het faillissement van H’lem Afbouw B.V. waarvan [appellanten] (indirect) bestuurder was. Het hof komt, net als de rechtbank, tot de conclusie dat [geïntimeerde] al het verweten handelen verrichtte in de hoedanigheid van curator. Verder is ook de conclusie van het hof dat het niet afgeven van een deel van de administratie door [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden er niet toe kan leiden dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de door [appellanten] gestelde schade. Het overige aan [geïntimeerde] verweten handelen toetst het hof aan de “Maclou-norm”. Die toetsing leidt evenmin tot persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarin de vordering van [appellanten] is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

[appellanten] is bij dagvaarding van 21 september 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 juni 2022 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 27 maart 2024 laten toelichten door hun advocaten, [appellanten] door mr. Loor voornoemd en [geïntimeerde] door mr. L.E. Warendorf, kantoorgenoot van mr. Van der Pool voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

De rechtbank heeft onder 2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze, hieronder weergegeven, feiten uitgaat, aangevuld met enkele feiten die eveneens tussen partijen vaststaan.

3.1.

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 september 2016 is bouwbedrijf H’lem Afbouw B.V. (hierna: H’lem Afbouw) in staat van faillissement verklaard (hierna: het faillissement) met aanstelling van [geïntimeerde] als curator.

3.2.

Pro Dev was van 1 april 2011 tot 22 juli 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van H’lem Afbouw. Sinds 22 juli 2016 is H’lem Bouw B.V. (hierna: H’lem Bouw) enig aandeelhouder en bestuurder van H’lem Afbouw. [appellant 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van zowel Pro Dev als H’lem Bouw en in die hoedanigheid indirect bestuurder en enig aandeelhouder van H’lem Afbouw.

3.3.

[geïntimeerde] heeft de advocaat van enkele concurrente schuldeisers op 10 april 2017 per e-mail het volgende bericht gestuurd:

“Ik kan je meedelen dat een accountant de administratie heeft beoordeeld. Aan de hand van zijn onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat de bestuurder na het eerste kwartaal de stekker uit de onderneming had moeten trekken. Toen was immers voor hem duidelijk dat de onderneming niet meer levensvatbaar was. In een gesprek met de bestuurder heb ik dit aangegeven maar vooralsnog wijst hij elke aansprakelijkheid af. Ik zal op korte termijn een dagvaarding voorbereiden.”

3.4.

[geïntimeerde] en [appellanten] zijn in juli 2017 een vaststellingsovereenkomst overeengekomen (hierna: de vaststellingsovereenkomst). [geïntimeerde] heeft zich daarbij verplicht de volgende tekst in het faillissementsverslag op te nemen:

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,00 aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

3.5.

Artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

Partijen verplichten zich tot geheimhouding van alle gegevens, achtergronden en informatie ten aanzien van de minnelijke schikking tenzij deze gegevens, achtergronden en informatie van algemene bekendheid zijn dan wel openbaarmaking wettelijk verplicht is.

3.6.

Het openbare faillissementsverslag van [geïntimeerde] van 15 november 2017 vermeldt het volgende:

Onbehoorlijk bestuur

In onderzoek

1-5-2017

De curator meent dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet. Als gevolg hiervan is failliet doorgegaan met het aangaan van verplichtingen terwijl de bestuurder wist of behoorde te weten dat failliet deze verplichtingen niet meer kon nakomen. Hierdoor hebben schuldeisers schade geleden waarvoor de bestuurder aansprakelijk is, zo meent de curator. De curator is hierover in overleg getreden met de bestuurder. Deze wijst echter elke aansprakelijkheid af. De curator beraadt zich op te ondernemen stappen.

31 juli 2017

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,-- aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

3.7.

[geïntimeerde] schrijft op 4 december 2017 per e-mail aan [appellant 2]:

(...) Naar verwachting zal het faillissement in januari/februari 2018 zijn afgewikkeld.

Ik heb nog een 12tal mappen. Als bestuurder van de vennootschap verzoek ik u deze mappen op korte termijn op te halen en te bewaren.

Deze mappen zijn vervolgens door [appellant 2] opgehaald. Dit betrof echter niet de volledige administratie van H’lem Afbouw. Een aantal mappen behorend tot die administratie heeft [geïntimeerde] op dat moment onder zich gehouden.

3.8.

Het faillissement is op 21 februari 2018 door middel van een vereenvoudigde afwikkeling ex artikel 137a Faillissementswet (Fw) opgeheven.

3.9.

Bij kortgedingvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 september 2018 (hierna: het kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] niet gehouden is tot afgifte aan [appellant 2] (als schuldenaar) van alle boeken en bescheiden als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw. Wel dient hij een kopie van die stukken aan [appellant 2] af te geven, teneinde deze in staat te stellen tot verweer, mocht het tot een procedure komen. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de concurrente schuldeisers tot afgifte van bepaalde bescheiden grotendeels toegewezen. De beslissing in dit vonnis luidt:

5.3.

gebiedt Hoff q.q. op eerste verzoek van Bolle en Zoon B.V. c.s. doch niet eerder dan 30 dagen na betekening van dit vonnis, aan Bolle en Zoon B.V. c.s., (...) kopieën van de (financiële) administratie van H’lem Afbouw voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld af te geven,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.10.

Bij kortgedingvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018 (hierna: het executievonnis) heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant 2] en H’lem Bouw tot het schorsen van de tenuitvoerlegging van de beslissing onder 5.3 van het kortgedingvonnis afgewezen.

3.11.

Op 25 oktober 2018 heeft [geïntimeerde] - na sommatie daartoe - kopieën van de (financiële) administratie van H’lem Afbouw, voor zover die door de accountant in het kader van het oorzakenonderzoek van de curator is beoordeeld, afgegeven aan de concurrente schuldeisers.

3.12.

Bij arrest van dit hof van 10 december 2019 is het kortgedingvonnis vernietigd voor zover dit is gewezen tussen [appellant 2]/H’lem Bouw en [geïntimeerde] . Het hof heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot afgifte aan H’lem Bouw (bestuurder van H’lem Afbouw) van alle boeken en bescheiden van H’lem Afbouw als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw, voor zover nog niet aan [appellant 2] of H’lem Bouw overhandigd. Het hof heeft [geïntimeerde] verboden om tot afgifte van stukken die behoren tot de boeken en bescheiden van H’lem Afbouw als bedoeld in artikel 193 lid 3 Fw aan derden over te gaan. [geïntimeerde] heeft de resterende administratie die hij nog onder zich hield op 7 januari 2020 aan [appellant 2] afgegeven.

3.13.

Bij vonnis van 17 juni 2020 van de rechtbank Noord-Holland is [appellanten] gelet op zijn positie als bestuurder op grond van artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) veroordeeld tot betaling van in totaal circa € 90.000,-- aan de concurrente schuldeisers wegens aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van H’lem Bouw.

3.14.

In een brief van 24 juli 2020 van de advocaat van [appellanten] aan [geïntimeerde] staat onder meer:

Allereerst heeft cliënte door uw handelen kosten moeten maken in de verschillende procedures (...). Ook stelt cliënte u aansprakelijk voor de overige kosten gemaakt in de verschillende procedures tegen zowel u als de verschillende crediteuren van H’lem Afbouw B.V. (u welbekend). De totale kosten hiervan bedragen €30.735,24.

Verder direct gevolg van uw handelen is dat u de met cliënte gesloten vaststellingsovereenkomst van 27 juli 2017 (en meer in het bijzonder het in artikel 5 opgenomen geheimhoudingsbeding) niet bent nagekomen en ook niet meer kan worden nagekomen. Cliënte ontbindt dan ook de vaststellingsovereenkomst en vordert betaling van het door haar betaalde bedrag ad € 120.000,--. Nu de boedel deze niet meer kan voldoen, geldt dat ook dit schade is die cliënte heeft geleden door uw handelen en waarvoor u persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld.

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing