Home

Gerechtshof Amsterdam, 22-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2954, 200.333.631/01 OK

Gerechtshof Amsterdam, 22-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2954, 200.333.631/01 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
24 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:2954
Zaaknummer
200.333.631/01 OK
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 2 [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 352

Inhoudsindicatie

OK; Enquête; verzoek aan de raadsheer-commissaris om bevel te geven aan buitenlandse curator; art. 2:352 lid 1 BW; verzoek afgewezen van onvoldoende belang

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.333.631/01 OK

beschikking van de raadsheer-commissaris van 22 oktober 2024

inzake

de vereniging naar Duits recht

DEUTSCHE SCHUTZVEREINIGUNG FÜR WERTPAPIERBESITZ e.V.,

gevestigd te Düsseldorf, Bondsrepubliek Duitsland,

VERZOEKSTER,

advocaten: mrs. Q.L.C.M. Bongaerts en N.K.S. Redner, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap

SIGNA SPORTS UNITED N.V., in staat van insolventie naar Duits recht,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

e n t e g e n

DR. CHR. GERLOFF Q.Q.,

bij beslissing van 27 december 2023 van het Amtsgericht Bielefeld benoemd tot

Insolvenzverwalter, in het naar Duits recht uitgesproken faillissement van SIGNA SPORTS UNITED N.V.,

kantoorhoudende te München, Bondsrepubliek Duitsland,

advocaten: mrs. R.J. van Galen en T.A. van Polanen, kantoorhoudende te Amsterdam,

de leden van de raad van bestuur van SIGNA Sports United N.V.

[A] , CEO,

[B] , voorzitter van het bestuur,

[C] ,

[D] ,

[E] ,

[F] ,

[G] ,

[H] ,

niet verschenen,

de Duitse vennootschap

SIGNA SPORTS UNITED GmbH,

gevestigd te Berlijn (Bondsrepubliek Duitsland),

niet verschenen,

de Oostenrijkse vennootschap

SIGNA HOLDING GmbH,

gevestigd te Innsbruck (Oostenrijk),

niet verschenen,

BELANGHEBBENDEN.

Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

-

verzoekster als DSW;

-

verweerster als SSU;

-

dr. Chr. Gerloff q.q. als de curator.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 23 oktober 2023, 26 januari 2024, 5 april 2024 en 28 mei 2024 in deze zaak.

1.2

Bij voornoemde beschikkingen heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SSU over de periode vanaf 19 mei 2021 en mr. F.D. Stibbe (hierna: de onderzoeker) benoemd als onderzoeker.

1.3

Bij brief van 1 oktober 2024 heeft de onderzoeker de raadsheer-commissaris verzocht om de curator op de voet van artikel 2:352 lid 1 BW te bevelen om – telkens op eerste verzoek – aan de onderzoeker die stukken te verschaffen waar deze om verzoekt dan wel de onderzoeker in de gelegenheid te stellen deze stukken te raadplegen.

1.4

Bij e-mail van 3 oktober 2024 heeft de Ondernemingskamer DSW en de curator in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit verzoek. DSW heeft bij brief van 10 oktober 2024 laten weten het verzoek van de onderzoeker te steunen. De curator heeft bij brief van 10 oktober 2024 bericht dat – kort samengevat – hij naar Duits recht niet gehouden is aan bevelen van de raadsheer-commissaris te voldoen of stukken uit de administratie van SSU aan derden te verstrekken.

2 De gronden van de beslissing

2.1

De onderzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in het belang van het onderzoek toegang moet hebben tot de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van SSU die zich alle in de macht van de curator bevinden. Ondanks herhaald verzoek van de onderzoeker verstrekt de curator de gevraagde stukken niet.

2.2

De curator brengt daar tegenin dat hij naar Duits recht niet gehouden is de administratie van SSU aan derden af te geven. Bovendien is de administratie van SSU verweven met die van – ook gefailleerde – groepsmaatschappijen en kan om die reden de onderzoeker geen toegang worden verschaft tot de administratie. Nu de curator op grond van Duits recht geen kosten mag maken die niet in het belang van de boedel zijn, kan hij de benodigde stukken ook niet (laten) verstrekken.

2.3

De raadsheer-commissaris overweegt als volgt.

2.4

Op grond van artikel 2:352 lid 1 BW is de raadsheer-commissaris in de enquêteprocedure bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en het verzochte bevel te geven. Dat de curator is aangesteld op grond van Duits recht maakt dat niet anders (zie HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0710, rov. 6.2.2 (e-Traction)).

2.5

Ten aanzien van SSU is in Duitsland een insolventieprocedure geopend. Op grond van artikel 7 van Verordening (EU) 2015/848 van Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 (Insolventieverordening) worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend. Dit betekent dat in dit geval de gevolgen van de op SSU van toepassing zijnde insolventieprocedure, waaronder met name ook de bevoegdheden van de curator in de insolventieprocedure, worden beheerst door Duits recht.

2.6

De curator heeft zich – onder verwijzing naar een door hem overgelegde opinie – op het standpunt gesteld dat hij naar Duits recht niet gehouden kan worden om eventuele door de raadsheer-commissaris gegeven bevelen op te volgen, omdat hij naar Duitse recht niet verplicht kan worden stukken uit het faillissement aan derden af te geven. Daarbij komt dat de administratie van SSU onderdeel is van een groter databestand waarvan ook de administraties van andere groepsvennootschappen deel uitmaken, zodat aan de onderzoeker geen toegang tot alleen de administratie van SSU kan worden verstrekt. Aan het identificeren, zoeken en verstrekken van door de onderzoeker gewenste stukken zijn kosten verbonden die naar Duits recht niet ten laste van de boedel mogen worden gebracht, aldus de curator.

2.7

De raadsheer-commissaris stelt vast dat het verzochte bevel bij deze stand van zaken weliswaar kan worden gegeven, maar dat er van moet worden uitgegaan dat de curator naar Duits recht niet gehouden kan worden daaraan ook uitvoering te geven. Onder deze omstandigheden bestaat geen voldoende belang bij toewijzing van het verzoek. De raadsheer-commissaris gaat er evenwel van uit dat indien door of vanwege verzoekers wordt toegezegd dat de daarmee gemoeide kosten zullen worden voldaan, de curator – onder door de curator te bepalen voorwaarden en na voorafgaande verstrekking van een kostenopgave – bereid zal zijn de redelijke en gespecificeerde verzoeken van de onderzoeker in te willigen.

3 De beslissing

De raadsheer-commissaris

wijst het verzoek van de onderzoeker af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. L. van Hoof, griffier, op 22 oktober 2024.