Gerechtshof Amsterdam, 15-04-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1019, 200.344.496/01
Gerechtshof Amsterdam, 15-04-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1019, 200.344.496/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Datum publicatie
- 16 april 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1019
- Zaaknummer
- 200.344.496/01
Inhoudsindicatie
kinderalimentatie.
Uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.344.496/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/740298 / FA RK 23-6607 (JK/SM)
Beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak van
[de man] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D.V. Garib te Rotterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.H. Schmidt te Amsterdam (voorheen: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam).
1 De procedure in hoger beroep
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar de tussenbeschikking van 11 maart 2025. Daarin is een DNA-verwantschapsonderzoek bevolen door een deskundige naar de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] waarbij is bepaald dat het voorschot voor de deskundige (Verilabs) voorlopig ten laste komt van de man.
Bij bericht van 18 maart 2025 heeft de advocaat van de man het hof bericht dat de man de voorschotnota niet zal voldoen en dat hij niet zal meewerken aan het DNA-onderzoek van Verilabs. Hij wenst nog steeds de door hemzelf aangeschafte (en betaalde) DNA-test te gebruiken.
De vrouw heeft bij bericht van 20 maart 2025 laten weten niet mee te werken aan een tweede thuistest. Zij meent dat het hof voldoende geïnformeerd is om een beslissing te nemen.
2 De feiten
[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is het [in ] 2022 geboren kind van de moeder. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3 De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, overeenkomstig het (onweersproken) verzoek van de moeder, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald van € 300,- per maand met ingang van 28 september 2023.
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dit verzoek af te wijzen.
De moeder verzoekt, na wijziging van haar verzoek, primair de bestreden beschikking te bekrachtigen en subsidiair, met wijziging van de bestreden beschikking in zoverre, de bijdrage te bepalen op € 145,- per maand.