Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-05-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1261, 200.332.935/01

Gerechtshof Amsterdam, 13-05-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1261, 200.332.935/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 mei 2025
Datum publicatie
21 mei 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:1261
Zaaknummer
200.332.935/01

Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering van persoonsgegevens uit de Gebeurtenissenadministratie en het Interne Verwijzingsregister van een bank. Strafrechtelijke persoonsgegevens? Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720. Artikelen 5 lid 1 en 6 lid 1 AVG. Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.332.935/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/723993/ HA ZA 22-820

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 mei 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats 1] , zaakdoende te [plaats 2] , gemeente Emmen,

appellant,

advocaat: mr. N. Karacaoglan te Waalwijk,

tegen

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.

1 De zaak in het kort

ING heeft de zakelijke bankrelatie met [appellant] opgezegd. Zij heeft gegevens van (de onderneming van) [appellant] opgenomen in haar Gebeurtenissenadministratie en Interne Verwijzingsregister (IVR). ING heeft onder meer vermeld: “Relatie komt voor 8 jaar in het IVR met als voornaamste reden dat relatie grote cashuitgaven gedaan heeft die niet te verantwoorden zijn. Daarbij speelt mee dat relatie geen adequate boekhouding van de cashinkopen bijgehouden heeft en te weinig maatregelen neemt om zijn betrokkenheid bij heling, witwassen (...) uit te sluiten.” [appellant] vordert verwijdering door ING van die persoonsgegevens waaruit volgt dat niet uitgesloten kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan financiële criminaliteit. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 21 september 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 juli 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ING als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord;

Ten slotte is arrest gevraagd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De rechtbank heeft in 2.1 – 2.3 van het bestreden vonnis, deels met verwijzing naar een in de zaak gewezen vonnis in incident van 7 december 2022, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

[appellant] heeft een eenmanszaak met de naam Handelsonderneming [appellant] . Volgens het Handelsregister heeft de onderneming onder meer de volgende activiteiten:

“Handelsbemiddeling gespecialiseerd in overige goederen

Handel in oud ijzer en metalen en verrichten van constructiewerkzaamheden voor derden”

3.2.

[appellant] is, respectievelijk was, in privé en zakelijk klant van ING.

3.3.

Bij brief van 18 november 2021 heeft ING aan [appellant] meegedeeld dat zij had besloten de bankrelatie met [appellant] te beëindigen voor zover het de zakelijke rekeningen betreft. In de brief staat onder meer het volgende:

“(...)

Op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zijn we verplicht te weten wie onze klanten zijn en wat ze met hun rekeningen doen. Daarom voeren we periodiek controles uit en onderzoeken we onregelmatigheden. De informatie die u ons tot op heden heeft verstrekt, geeft helaas geen transparant beeld van het gebruik van uw Zakelijke Rekeningen. Hierdoor kunnen we onvoldoende inhoud geven aan onze verplichtingen uit de Wft en de Wwft en zijn we van mening dat de voor een bankrelatie vereiste vertrouwensbasis in uw situatie niet meer aanwezig is. In deze brief leest u meer hierover.

Onderzoek en bevindingen

(...) Aan de hand van eigen onderzoek door ING, en de door u opgegeven antwoorden met de daarbij behorende bewijsstukken, concluderen we het volgende.

Omwille van uw hoge cashuitgaven en het ontbreken van zowel een adequate inkoopadministratie als een inkoopbeleid omtrent heling kunnen wij niet voldoende uitsluiten dat uw cashgelden (in)direct betrokken zijn bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten. Daarbij voldoet u niet aan de registratieplicht voor de inkoop van metaal. Op basis van art. 437Sr en het Uitvoeringsbesluit zijn opkopers wettelijk verplicht een doorlopend en gewaarmerkt inkoopregister bij te houden, waarin ze de identificerende persoonsgegevens van de verkoper dienen te registreren. Uw inkoopadministratie laat niet zien bij wie u uw inkopen doet. Ook blijkt u onvoldoende maatregelen te nemen om risico’s op heling bij uw inkooppartijen te beheersen, en heeft u uw inkoopbeleid niet verbeterd ten opzichte van ons vorige klantonderzoek.

(...)

Opname in het interne verwijzingsregister

Ten slotte moeten we u mededelen dat we uw persoonsgegevens opnemen in het Interne Verwijzingsregister (IVR) voor de duur van 8 jaar. Het IVR kan alleen door de eigen financiële instelling (inclusief dochterondernemingen) worden geraadpleegd en bevat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij gebeurtenissen waarbij onregelmatigheden zijn geconstateerd. Staan uw gegevens in het IVR, dan kan dit gevolgen voor u hebben. Bijvoorbeeld bij de aanvraag van producten of diensten bij ING.

(...)”

3.4.

Na nadere correspondentie met [appellant] heeft ING de (zakelijke) bankrelatie op 11 oktober 2022 beëindigd. [appellant] heeft zich daar aanvankelijk tegen verzet maar heeft daar uiteindelijk in berust. ING heeft gegevens van [appellant] opgenomen in haar Gebeurtenissenadministratie en Interne Verwijzingsregister (hierna: IVR) voor een periode van acht jaar.

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing