Gerechtshof Amsterdam, 03-06-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1437, 200.331.582/01 KG
Gerechtshof Amsterdam, 03-06-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1437, 200.331.582/01 KG
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juni 2025
- Datum publicatie
- 11 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1437
- Zaaknummer
- 200.331.582/01 KG
Inhoudsindicatie
Conflict tussen twee bestuurders van een Nederlandse vennootschap met een Italiaanse dochtervennootschap. Op de ava van de dochter worden door de vennootschap, die daarbij In strijd met gemaakte afspraken en statutaire bepalingen slechts door een van deze beide bestuurders wordt vertegenwoordigd, besluiten genomen waarmee deze bestuurder de zeggenschap binnen de Italiaanse werkmaatschappij naar zichzelf toetrekt. Bevel aan deze bestuurder om mee te werken aan het terugdraaien van die besluiten. Tevens bevel tot medewerking aan nakomen van een eerder gemaakte afspraak tot benoeming van een bindend adviseur.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.331.582/01 KG
rol- en zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/735532 KG ZA 23/531
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 juni 2025
inzake
[appelant]
wonende te [plaats 1] , Frankrijk,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,
tegen
[geintimeerde] ,
wonende te [plaats 2] , Frankrijk,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. H. Moltmaker te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appelant] en [geintimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
[geintimeerde] en [appelant] zijn broer en zus en gezamenlijk met hun vader aandeelhouder van [bedrijf 1] Zij zijn beiden ook gezamenlijk bevoegd bestuurders van [bedrijf 1] en al jaren verwikkeld in meerdere procedures, die deels betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschap van hun in 2013 overleden moeder. Daarbij twisten zij ook – verkort weergegeven – over de wijze waarop de zeggenschap in [bedrijf 2] en haar Italiaanse dochtermaatschappij [bedrijf 3] S.r.l. dient te worden uitgeoefend. Op 18 mei 2022 hebben partijen onder begeleiding van de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam een schikking getroffen en – onder meer – afgesproken dat zij bij geschillen een bindend adviseur zouden benoemen.
Dit kort geding betreft een aantal door [appelant] zonder instemming van [geintimeerde] namens [bedrijf 1] als aandeelhouder van [bedrijf 3] S.r.l. genomen besluiten. [appelant] [geintimeerde] vordert (onder meer) veroordeling van [appelant] tot medewerking aan het terugdraaien van deze besluiten en tot het benoemen van een bindend adviseur. Het hof bekrachtigt in het principaal appel het vonnis van de rechtbank. In het incidenteel appel veroordeelt het hof [appelant] tot medewerking aan het indienen van een verzoek aan de Ondernemingskamer tot het benoemen van een bindend adviseur, op straffe van een dwangsom.
2 Het geding in hoger beroep
[appelant] is bij dagvaarding van 11 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 19 juli 2023 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), onder bovenvermeld rol- en zaaknummer gewezen tussen [geintimeerde] als eiser en [appelant] en [bedrijf 1] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel houdende eisvermeerdering, met producties;
- memorie van antwoord in het incidenteel appel, met producties;
- akte uitlating producties aan de zijde van [geintimeerde] ;
- akte overlegging producties aan de zijde van [geintimeerde] ;
- akte overlegging producties aan de zijde van [appelant] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 27 november 2024 laten
toelichten. [appelant] door mr. Van den Bosch, voornoemd en [geintimeerde] door Mr
Moltmaker, voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3 Feiten
De voorzieningenrechter heeft onder 2.1. tot en met 2.14. van het bestreden vonnis de feiten
vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de
feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[bedrijf 1] , een holdingvennootschap (hierna: [bedrijf 1] ), is enig aandeelhouder van de Italiaanse vennootschap [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), die handelt in farmaceutica en cosmetica. [geintimeerde] werkt sinds 2010 voor [bedrijf 3] , sinds 2013 als procuratiehouder.
[geintimeerde] en [appelant] zijn broer en zus. Zij zijn na het overlijden van hun moeder in 2013 in diverse procedures verwikkeld geraakt. [geintimeerde] houdt momenteel 50% van de aandelen in [bedrijf 1] en [appelant] 25%. De overige 25% behoren toe aan hun vader (hierna ook: [naam vader] ).
In de statuten van [bedrijf 1] van 1 juli1998 is in artikel 10 lid 2 en 3
bepaald:
“2. Ingeval er meer bestuurders zijn komt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging toe zowel
aan de voorzitter van het bestuur indien aangewezen als aan twee gezamenlijk handelende
(...) bestuurders (...)
3. In alle gevallen, waarin één of meer bestuurders, een belang hebben, strijdig met dat der
vennootschap, wordt de vennootschap niettemin door ieder dezer personen, binnen de
grenzen van zijn bevoegdheid vertegenwoordigd, onverminderd het bepaalde in artikel
2:256, Burgerlijk Wetboek.”
Nadat er tussen de aandeelhouders geschillen waren ontstaan over de benoeming van een nieuwe bestuurder van [bedrijf 1] , is [geintimeerde] een enquêteprocedure bij de Onder- nemingskamer van het hof Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer) gestart, waarbij als onmiddellijke voorziening werd verzocht om een (tijdelijke) bestuurder te benoemen. Bij beschikkingen van 16 en 17 november 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar de gang van zaken binnen de vennootschap en een bestuurder ( [naam 1] , hierna: [naam 1] ) benoemd, evenals een bewaarder van een meerderheid van de aandelen. Een onderzoeker is nooit benoemd.
Uiteindelijk hebben [geintimeerde] enerzijds en [appelant] en [naam vader] anderzijds op de zitting van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 18 mei 2022 een schikking getroffen. Blijkens het proces-verbaal daarvan hield de schikking - voor zover hier van belang - in:
- “ [appelant] (de echtgenoot van [appelant] , hierna: [appelant] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) zullen worden benoemd als bestuurders van [bedrijf 3] ;
- deskundig advies zal worden gevraagd over een fusie van [bedrijf 1] met [bedrijf 3]
, waarbij [bedrijf 3] de verkrijgende vennootschap is en [bedrijf 1] ophoudt
te bestaan,
- benoeming van nieuwe bestuurders van [bedrijf 1] , aldus dat [geintimeerde] een
bestuurder zal aanwijzen en [appelant] en hun vader gezamenlijk de andere
bestuurder;
- partijen zullen de Ondernemingskamer uiterlijk 1 oktober 2022 verzoeken de
enquêteprocedure en de voorzieningen te beëindigen."
- “6. In het geval van impasse binnen de algemene vergadering van [bedrijf 1] na beëindiging van de enquêteprocedure verbinden partijen zich aan het oordeel van een bindend adviseur. Indien zich een impasse voordoet binnen het bestuur van [bedrijf 1] zal de algemene vergadering daarop kunnen beslissen. Partijen spreken af dat zij de Ondernemingskamer gezamenlijk verzoeken om een deskundige voor te dragen die als bindend adviseur zal optreden.”
- “8. Voor wat betreft de voorschotten die partijen in het kader van deze enquêteprocedure hebben betaald, [geintimeerde] thans € 25.000 en Sophie en [naam vader] thans € 12.500, wordt afgesproken dat hetgeen [geintimeerde] meer heeft betaald dan [naam 3] gezamenlijk aan deze voorschotten zal met voorrang aan hem worden terugbetaald nadat het bestuur gewijzigd is en voor zover [bedrijf 1] c.q. [bedrijf 3] dat kan betalen.”
[bedrijf 1] ( [naam 1] ) heeft omstreeks 20 mei 2022 de (inmiddels ex-) echtgenote van [geintimeerde] als bestuurder ontslagen en [naam 2] en [appelant] benoemd als bestuurders (CEO, respectievelijk toezichthoudend bestuurder) van [bedrijf 3] .
Bij aandeelhoudersbesluit van 29 september 2022 zijn [geintimeerde] en [appelant] [geintimeerde] benoemd als bestuurders van [bedrijf 1] met ingang van de datum dat [naam 1] dat niet meer zou zijn. In het besluit staat verder, voor zover van belang:
“b. For clarity sake is mentioned that no managing director is appointed as Chairman of the Board (“Voorzitter”), which means that either director can only act on behalf of the Company [hof: [bedrijf 1] ] together with the other director in accordance with article 10 subsection 2 of the articles of association of the Company;”.
Bij beschikking van de Ondernemingskamer van 5 oktober 2022 zijn het onderzoek en de getroffen onmiddellijke voorzieningen beëindigd. Met ingang van die datum zijn [geintimeerde] en [appelant] in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als de (gezamenlijk bevoegde) bestuurders van [bedrijf 1] .
Bij brief van 26/27 April 2023 heeft [appelant] als voorzitter van het bestuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] , ter attentie van [appelant] als bestuurder, geschreven dat - kort gezegd - [geintimeerde] en [naam 2] met hun vennootschap [bedrijf 1] concurreren met [bedrijf 3] , terwijl zij beiden in dienst van [bedrijf 3] zijn/waren. [appelant] verwijst daarbij naar een bestuursvergadering van 9 februari 2023 van [bedrijf 3] , waarbij hijzelf, [naam 2] en een secretaris aanwezig waren. In de (Engelse versie van de) brief staat verder, voor zover relevant:
“1 am truly concerned by these matters and, furthermore, by the fact that [naam 2] (together with [geintimeerde] ) refused to speak about this during the Meeting, obstructing in fact the execution of my right of scrutiny, granted to me in the interests of [bedrijf 1] and continues to refuse to provide me with the documents that I requested, totally within my rights.
(...) Considering these facts and not having the power to intervene directly with regards to [naam 2] and [geintimeerde] , I believe it is necessary to inform you, as Director of [bedrijf 1] , so that you can adopt all necessary measures to protect the interests of [bedrijf 3] and of its sole shareholder.
(...) the activities (...) should be considered acts of illegitimate competition also with regards to [bedrijf 1] , of which [geintimeerde] is the co-administrator and of which [naam 2] was nominated administrator of [bedrijf 3] . All this behaviour, in my opinion, is extremely serious and can harm the relationship of trust between the sole partner and the administrator on the one hand and between the company and its manager on the other hand.
I am seriously considering taking this case to the District Attorney of Milan.”.
Bij brief van 29 april 2023 heeft [appelant] voor een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 3] op 5 mei 2023 in Milaan opgeroepen:
- [bedrijf 1] , [geintimeerde] en [appelant] als bestuurders,
- [naam 2] als bestuurder van [bedrijf 3] , en
- [naam 4] als ‘commissaire aux comptes’ van [bedrijf 3] .
Daarbij waren als agendapunten vermeld:
1) feiten die aansprakelijkheid van de CEO jegens [bedrijf 3] en [bedrijf 1]
meebrengen,
2) ontslag van [naam 2] als CEO,
3) benoeming nieuw bestuur en
4) wijziging van de statuten.
De bij de vergadering op 5 mei 2023 aanwezige notaris heeft notulen opgesteld, waaruit
blijkt dat [appelant] , die de vergadering voorzat, [geintimeerde] heeft gevraagd de vergadering te
verlaten omdat deze een potentieel tegenstrijdig belang zou hebben. Toen [geintimeerde] dit
weigerde, zijn de carabinieri langs geweest, maar dit heeft niet tot het vertrek van [geintimeerde]
geleid. Wel is hij uitgesloten van de besluitvorming. Uiteindelijk heeft de vergadering –
feitelijk [appelant] als vertegenwoordiger van de enig aandeelhouder, [bedrijf 1] –
besloten om [naam 2] te ontslaan, [appelant] te benoemen als enig bestuurder van [bedrijf 3] en de
statuten van [bedrijf 3] te wijzigen.
De advocaat van [geintimeerde] heeft bij brief van 2 juni 2023 gesteld dat de aandeelhou- dersbesluiten van 5 mei 2023 nietig (“void”) zijn en heeft [appelant] gesommeerd deze terug te draaien en haar onrechtmatige acties te staken. Daarop heeft [appelant] afwij- zend gereageerd.
[appelant] heeft namens [bedrijf 3] bij brief van 16 juni 2023 [geintimeerde] als werknemer ontslagen wegens dringende redenen.
Bij e-mail van 4 juli 2023 heeft [appelant] namens [bedrijf 3] aan [geintimeerde] en [appelant] geschreven dat [naam 2] en [bedrijf 3] op 30 juni 2023 een schikking hebben getroffen, inhoudende dat [naam 2] aanblijft als werknemer en verantwoordelijk apotheker (“Directeur Technique”) maar afziet van enige bestuursfunctie binnen [bedrijf 3] . In de e-mail staat ook dat [naam 2] [geintimeerde] hierover heeft geïnformeerd.
[appelant] heeft na het bestreden vonnis en ter uitvoering daarvan haar medewerking verleend aan het nemen van een bestuursbesluit van [bedrijf 1] van 4 augustus 2023, waarin [appelant] als bestuurder van [bedrijf 3] wordt gevraagd een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen met als agendapunten het benoemen van [naam 2] als bestuurder en het terugbrengen van de statuten in de staat van 1 december 2010.