Home

Gerechtshof Amsterdam, 02-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2290, 200.326.654/01

Gerechtshof Amsterdam, 02-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2290, 200.326.654/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
4 september 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:2290
Zaaknummer
200.326.654/01

Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.326.654/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/710476 / HA ZA 21-1034

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 september 2025

inzake

[appellant] B.V.,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. C.J. Jager te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

gevestigd te [plaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [plaats 3] ,

3. [geïntimeerde 3] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

4. [bedrijf 8],

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerden,

advocaat: mr. W. Raas te Amsterdam.

Appellante zal hierna [appellant] worden genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [bedrijf 8] genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

De heren [naam 1] en [naam 2] (hierna gezamenlijk: [naam 1] / [naam 2] en ieder afzonderlijk [naam 1] en [naam 2] ) enerzijds en [geïntimeerde 2] anderzijds zijn door middel van verschillende entiteiten actief in de ontwikkeling, verkoop, verhuur en exploitatie van vakantiewoningen en vakantieparken. Zij hebben een aantal jaren met elkaar samengewerkt. In dat kader twisten de aan [naam 1] / [naam 2] gelieerde entiteit [appellant] en [geïntimeerden] over de vraag bij wie de economische rechten zich (zouden moeten) bevinden met betrekking tot de ontwikkeling, verhuur en exploitatie van het project [appellant] (hierna: [appellant] ), bestaande uit seizoensgebonden strandhuisjes in [plaats 4] .

1.2.

Het hof doet heden eveneens uitspraak in de zaak met zaaknummer 200.326.659/01. Deze zaak is nauw verwant aan de onderhavige procedure.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellant] is bij dagvaarding van 17 april 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2023, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen onder meer [appellant] als eiseressen en [geïntimeerden] als gedaagden.

2.2.

[geïntimeerden] hebben op 1 mei 2023 bij exploot tot anticipatie als bedoeld in artikel 126 Rv een vroegere roldatum aangezegd.

2.3.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord,

- akte indiening productie van de zijde van [geïntimeerden] , met productie,

- akte overlegging producties van de zijde van [appellant] , met producties.

2.4.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 25 september 2024 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten (en kantoorgenoten). Beide advocaten hebben daartoe spreekaantekeningen overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2.5.

Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald.

3 Feiten

4 Beoordeling

5 Beslissing