Home

Gerechtshof Amsterdam, 16-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2452, 200.334.263/01

Gerechtshof Amsterdam, 16-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2452, 200.334.263/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16 september 2025
Datum publicatie
18 september 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:2452
Zaaknummer
200.334.263/01

Inhoudsindicatie

De eigendom van het schip is niet overgedragen omdat het een geregistreerd schip betrof en de levering niet aan de daarvoor geldende eisen voldeed. De curator mag het schip desondanks niet opeisen van de koper. Uitgangspunt van het faillissementsrecht is immers dat de curator niet meer rechten geldend kan maken dan de gefailleerde zelf. Ook is van belang dat uit de Berzona-jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het de curator niet is toegestaan overeenkomsten van de failliet actief niet na te komen.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.334.263/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/724121/HA ZA 22-834

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats 1] , Duitsland,

appellant,

advocaat: onttrokken (voorheen: mr. F. Rientsma te Amsterdam),

tegen

1. [naam 1] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Shipcaryachts International B.V. en CTH Beheer B.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.E. Diderich te Amsterdam.

wonende te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.R. Stephan te Haarlem.

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd, geïntimeerde sub 1 wordt hierna de curator genoemd en geïntimeerde sub 2 wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

Partijen twisten over een motorschip dat aan [appellant] was verkocht en waarvan het bezit daarbij aan hem was overgedragen maar niet de eigendom. De eigendom van het schip is niet overgedragen omdat het een geregistreerd schip betrof en de levering niet conform de daarvoor geldende vereisten heeft plaatsgevonden. De curator, mr. [naam 1] , stelt zich op het standpunt dat het motorschip tot de boedel van een failliete vennootschap behoort en eist het motorschip op. De koper, [appellant] , meent dat de eigendomsoverdracht rechtsgeldig is geschied en voorts dat de curator zijn recht op revindicatie heeft verwerkt.

Verder is aan de orde of de bestuurder van de failliete vennootschap aansprakelijk is voor de door de koper geleden schade.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 27 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 2 augustus 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld rol-/zaaknummer in conventie gewezen tussen (voor zover in hoger beroep relevant) [appellant] als eiser en de curator en [geïntimeerde] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- de appeldagvaarding met daarin opgenomen de grieven;

- memorie van antwoord van de zijde van de curator met productie 12;

- memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde] .

Vervolgens heeft op 16 juni 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de zaak van partijen is toegelicht door hun respectieve advocaten, mr. Rientsma aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Voorts hebben partijen vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] en de curator hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. De feiten komen neer op het volgende.

3.1.

Shipcaryachts International B.V. (hierna: SCY) dreef net als de aan haar gelieerde vennootschap CTH Beheer B.V. (hierna: CTH) een onderneming gespecialiseerd in het in- en verkopen van motorjachten. [geïntimeerde] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) waren in de relevante periode beiden aandeelhouder en beiden zelfstandig bevoegde bestuurders van SCY en CTH. [geïntimeerde] was destijds de schoonzoon van [naam 2] .

3.2.

[schip] (hierna: [schip] ) is, na verwerving door CTH, op of omstreeks 26 april 2018 door CTH aan SCY verkocht en geleverd voor € 130.000.

3.3.

Blijkens een uittreksel uit het Kadaster (Eigendomsinformatie schepen) staat [schip] sinds 13 december 2018 in het Kadaster ingeschreven op naam van SCY. [schip] is gebrandmerkt met het nummer [x] 2018 aan de binnenzijde van de stuurboord stootwil kast.

3.4.

Op 18 april 2019 heeft [appellant] [schip] gekocht. Blijkens de in het geding gebrachte koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) trad CTH, die daarbij werd vertegenwoordigd door [geïntimeerde] , op als verkoper.

3.5.

In artikel 2.4 van de koopovereenkomst staat – voor zover van belang – het volgende:

Verkoper garandeert het jacht te leveren vrij van hypotheken, pandrechten, huurkoopverplichtingen, beslagen of andere financiële verplichtingen en tevens dat het jacht niet in enig register is ingeschreven. (...) Verkoper staat in voor zijn (zelfstandige) bevoegdheid tot verkoop en levering, verkoper is momenteel alleen eigenaar van het jacht.

3.6.

De koopsom van € 199.500,- heeft [appellant] geleend en in drie termijnen via de bankrekening van CTH betaald, te weten op 24 en 28 april 2019 en op 27 mei 2019, waarna CTH de sleutels en andere toebehoren van [schip] aan [appellant] heeft overhandigd waarmee [appellant] het bezit van [schip] verkreeg. De registratie van [schip] bij het Kadaster op naam van SCY is echter niet gewijzigd. [appellant] is vervolgens [schip] gaan gebruiken.

3.7.

In maart 2021 heeft een schuldeiser van SCY beslag gelegd op [schip] . Ter opheffing van het beslag heeft [appellant] de vordering van de schuldeiser voldaan. [naam 2] heeft [appellant] vervolgens namens SCY toegezegd [schip] uit te schrijven bij het Kadaster. Die toezegging is niet nagekomen. Rond deze tijd zijn [naam 2] en [geïntimeerde] met elkaar in onmin geraakt.

3.8.

Op 13 juli 2021 is SCY in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator in zijn hoedanigheid.

3.9.

In een e-mail van 3 augustus 2021 van een kantoorgenoot van de curator aan [appellant] staat – samengevat en geparafraseerd – onder meer het volgende:

- op 13 juli 2021 is het faillissement uitgesproken van SCY;

- de koopovereenkomst met betrekking tot [schip] is opgesteld tussen CTH en [appellant] ;

- uit informatie van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers blijkt dat SCY [schip] op 13 december 2018 door inschrijving in het register te boek heeft laten stellen;

- op de datum van het faillissement stond SCY nog immer geregistreerd als eigenaar van [schip] ;

- [schip] is dus eigendom van de gefailleerde en valt in de boedel;

- de curator betwist vooralsnog niet de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst, maar stelt zich op het standpunt dat het schip niet is geleverd, althans niet door een daartoe bevoegde persoon;

- levering dient plaats te vinden door middel van een notariële akte en door inschrijving in de openbare registers; een en ander is niet gebeurd;

- de koopovereenkomst is bovendien ondertekend door CTH, die beschikkingsonbevoegd was;

- nu [appellant] aldus geen eigenaar is geworden van [schip] wordt hem verzocht de sleutels en het registratiebewijs aan de curator af te geven; ook mag [appellant] geen gebruik meer maken van [schip] en mag hij [schip] niet betreden.

3.10.

[appellant] heeft geweigerd [schip] aan de curator af te geven en heeft het schip op advies van zijn toenmalige advocaat aan het zicht van de curator onttrokken.

3.11.

Op 28 september 2021 is CTH op verzoek van [geïntimeerde] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator in zijn hoedanigheid.

3.12.

De curator heeft strafrechtelijk aangifte gedaan tegen [appellant] wegens onttrekking van [schip] aan de boedel van SCY.

3.13.

Bij vonnis in kort geding van 5 augustus 2022 heeft de voorzieningenrechter op vordering van [appellant] de curator veroordeeld tot uitschrijving van [schip] uit het scheepsregister door middel van een verzoek tot doorhaling.

3.14.

Op 12 september 2022 hebben de curator en [appellant] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de curator [schip] aan [appellant] overdraagt onder de ontbindende voorwaarde dat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis komt vast te staan dat [schip] ten tijde van de faillietverklaring van SCY en CTH niet aan [appellant] in eigendom toebehoorde en dat de curator de aanspraak op [schip] niet op andere gronden – zoals rechtsverwerking – wordt ontzegd.

3.15.

Bij notariële akte van 2 november 2022 heeft de curator [schip] aan [appellant] geleverd onder de ontbindende voorwaarde, genoemd onder 3.14.

4 Eerste aanleg

5 Vordering in hoger beroep

6 Beoordeling

7 Beslissing